‘We moeten tegen de absurditeit in opstand komen’

In de reeks ‘Schrijvers gaan niet dood’ voert Margot Vanderstraeten gesprekken met de oudste generatie Nederlandstalige auteurs over de kern van hun bestaan: hun pen. Nadat ze op bezoek is geweest bij Jos Vandeloo, Ward Ruyslinck, Paul de Wispelaere, Hella Haasse, Ivo Michiels, Hugo Raes, Harry Mulisch, Jef Geeraerts, Simon Vinkenoog en Christine D’haen, praat ze nu met Aster Berkhof.

Door Margot Vanderstraeten

Meer dan een halve eeuw geleden schreef Aster Berkhof (1920) zijn eerste kaskraker Veel geluk, professor. Daarna volgden nog een negentigtal boeken en gold Berkhof decennialang als de meest gelezen auteur in Vlaanderen. “Mijn oeuvre is een product van mijn drie voornaamste karaktereigenschappen: ongeduld, energie en nieuwsgierigheid. Zullen we dus maar beginnen?”

Hij is twee keer geboren. De eerste keer als Lodewijk van den Bergh, dat was in 1920, in een ruime woning in Rijkevorsel, in de Antwerpse Noorderkempen. Ten grondslag aan deze eerste geboorte liggen zijn ouders. De tweede keer verlopen verwekking en baring enigszins anders.

Het is 1944, het land schokt onder de naweeën van de oorlog. Lodewijk van den Bergh staat te popelen om de wereld en zichzelf beter te leren kennen. Hij neemt de pen ter hand en begint te schrijven. Hij ervaart schrijven als een tweede keer geboren worden. De heer in grijze mantel is zijn romandebuut. Hij, germanist, wil niet dat zijn fictie onder dezelfde naam verschijnt als zijn essays die hij als wetenschappelijk onderzoeker aan de universiteit van Leuven schrijft. Zijn fictie zou de geloofwaardigheid van zijn academisch werk onderuit halen. Op een dag staat Berkhof in de tuin, de hof, van zijn ouders, en hij ziet zijn nieuwe naam aan zijn voeten groeien. Onder de berken bloeien de asters. Voortaan, besluit Lodewijk (Louis) van den Bergh, heet hij ook Aster Berkhof.

De aarde groeit niet alleen in uw naam maar ook in uw boeken. U houdt van de natuur. Houdt u ook van de mens?

“Ik houd van de aarde en ik leef in onmin met de wereld, gevatter kan ik het niet stellen. Ik maak me boos om de domme manier waarmee wij mensen de aarde verknoeien, en dan heb ik het niet alleen over pollutie. Ook de wijze waarop mensen elkaar behandelen, brengt de aarde schade toe. Een voor de hand liggend voorbeeld is de oorlog om olie in Irak. En het illusoire einde van die oorlog. Eerst maken de Amerikanen en de Britten het land met de grond gelijk. Vervolgens gaan ze het weer opbouwen. Op kosten van de Irakezen, want die betalen met hun olieopbrengsten. Uit verscheidene internationale onderzoeksrapporten blijkt dat de wederopbouw gepaard gaat met corruptie op grote schaal. Buitenlandse ondernemingen voeren de werken uit, terwijl Iraakse bedrijven werkloos staan toe te kijken. De Amerikaanse regering zou lucratieve contracten hebben toegewezen aan bedrijven die banden hebben met leden van hun politieke elite. Enzovoort. Met die hardvochtige gang van zaken, waarin de grote economie het leven en het voelen overheerst, kan ik geen vrede nemen. Nu niet. Vroeger niet.

“Mijn vader was hoofdonderwijzer, mijn moeder onderwijzeres, beiden in hetzelfde schooltje. We hadden het goed met hun loon, maar we hadden het nog beter omdat mijn moeder uit een aristocratische boerenfamilie kwam. Haar vader was jarenlang burgemeester van Merksplas. Mijn moeder kwam uit een welgesteld, intellectueel milieu: honderd jaar geleden al volgde ze opleiding in een chic pensionaat.

“In Rijkevorsel Sint-Jozef, waar ik ben opgegroeid, leefden de meeste mensen van de plaatselijke industrie. Er waren een cementfabriek en een kuiperij. Een chemisch bedrijf en meerdere baksteenfabrieken. Ik herinner me dat enkele schoolkameraadjes van me in huizen woonden zonder vloer. Ik bedoel: de vloer van hun huizen bestond uit grond. En als je op hun zolderkamers was, kon je door de dakpannen de lucht zien. In vergelijking met hun woningen was het huis van mijn ouders groot en comfortabel.

“Als jonge knaap was ik me al bewust van het grote verschil tussen hun en mijn wereld. Dat besef bezorgde me een gevoel van onbehaaglijkheid. Ik wilde dat m’n vrienden en hun families het even goed en comfortabel hadden als ik. Vandaag, meer dan tachtig jaar later, voel ik datzelfde onbehagen nog steeds als ik geconfronteerd word met de kleine man die niet genoeg heeft. Ik zou verandering willen. Ik kom in opstand tegen onrechtvaardigheid. Maar ik ben geen geweldenaar. En ik ben al evenmin iemand die op de barricades staat. Gewone vormen van gezag duld ik; orde heeft een gezonde hiërarchie nodig. Helaas is er ook veel ongezonde hiërarchie. Vroeger zwom ik veel en vrij in de Middellandse Zee. Vandaag is die zee niet alleen vervuild, ze is ook een toeristisch sportterrein geworden: het krioelt er van de zeilboten en de waterscooters en wie wil zwemmen hoort dat in het speciaal met boeien afgebakende tunneltje water te doen. Daar pas ik voor.

“Mijn verzet neemt de vorm aan die Albert Camus in zijn essay l’Homme révolté (De mens in opstand, mvds) uit de doeken doet. Als student was ik al een bewonderaar van Camus; hij was min of meer een leeftijdgenoot, slechts zeven jaar ouder dan ik en al een groot en gerespecteerd auteur en denker. Camus’ filosofie is dat het menselijk bestaan geen zin heeft; hij vond het absurd dat we in deze wereld een bepaald aantal jaren doorbrengen en vervolgens doodgaan. Ik treed hem daarin bij. En ik volg ook zijn mening dat we die zinloosheid niet gewoon mogen aanvaarden. We moeten tegen de absurditeit in opstand komen. Door solidair te zijn. We zijn met velen, dat is een feit. Indien er geen morele wetten geopenbaard of aangeboren zijn, dan ben ik ook geboren als een moordenaar. Dat we elkaar niet doden, is omdat de solidariteit overheerst. Doe niet met een ander wat je niet wilt dat de ander met jou doet.”

Stemt die solidariteit niet overeen met ‘het geweten’?

“Wat is een geweten anders dan een verkeersreglement; regels die meerdere mensen respecteren om het gezamenlijke leven zo vlot mogelijk te doen verlopen. Ik geloof niet in een aangeboren geweten. Hoe zou de mens zich gedragen als hij helemaal alleen op de wereld zou zijn? Het is de solidariteit met de ander die maakt dat we in staat zijn om met elkaar te leven. Ik weiger de boef te zijn. Ik weiger de ander te vernederen. En ik probeer dat principe in mijn leven te huldigen.”

Het leven heeft volgens u geen enkele zin. Hoe pijnlijk is dat besef naarmate u dichterbij de dood komt?

“Ik heb de statistische sterfteleeftijd van de Belgische man al overschreden. Nog dertien jaar en ik ben honderd. En dat terwijl wetenschappelijke, paleontologische onderzoeken bewezen hebben dat aan de aarde nog maximaal 4 tot 5 miljard levensjaren zijn gegund. 4 à 5 miljard lijkt veel, het is ook veel, maar toch. Ze zijn geen eeuwigheid. Op een dag houdt het dus allemaal op. Sinds ik weet dat de eindigheid van de aarde een feit is, is mijn leven er een stuk minder prettig op geworden. Ik kan niet verdragen dat er niets overblijft. Ik kan me er niet bij neerleggen dat het allemaal voor niets is geweest. Is het waar dat de aarde nergens vandaan komt en ook nergens heen gaat? We weten het niet. We weten nog zoveel niet. En waarom mag ik dat niet weten, denk ik dan. Waarom mag ik niet weten of er niet toch enige zin aan dit bestaan vasthangt? Aan het bestaan van deze aarde? En als alles dan inderdaad echt volstrekt zinloos is, wie amuseert zich daar dan mee? Wie bedenkt dit spelletje dan? In Iran beeft de aarde om de vijf jaar. Welke god gaat er schuil achter die morbide wetmatigheid? En als het dan een god is, dan mag hij zijn daden toch eens komen verantwoorden voor het Internationaal Gerechtshof van Den Haag.

“Nu ik ouder word, zit die zinloosheid me dwarser dan ooit. Ik ben geen kniezer. Ik ben geen doemdenker. Maar het zou troostvol zijn om te weten waartoe het allemaal heeft gediend. Gelovigen trekken zich op aan het leven na de dood. Dat mag van mijn part. Ik ben niet gelovig. En ik vind gelovig zijn ook geen eerbiedwaardig iets. Geloven is niets anders dan iets aannemen wat je niet weet. Wie wil geloven dat 2 plus 2 gelijk is aan 5, mag zijn gang gaan, maar moet van mij geen eerbied voor zijn denken vragen. Ik ben rationeel. Ik wil antwoorden. Dus ook op de vraag waartoe het dient dat ik hier op een brok gesteente zit die zo vol energie zit dat hij af en toe uitbarst, en een tsunami, een vulkaanuitbarsting of een aardbeving veroorzaakt.

“Het leven dat ik leid, dat ik heb mogen leiden, is een vakantie. Ik beschouw de dood als het einde van deze vakantie. En tot het zover is leef ik met volle teugen. Je hebt mensen die halverwege hun vakantie al zeggen: ‘Jakoba, die handdoeken niet gebruiken want dan zijn ze nat als we terugreizen.’ Ik maak alles nat tot de laatste seconde. Uiteraard is deze vakantie niet alleen mijn verdienste. Ik heb van begin af aan veel cadeau gekregen. Mijn gezond gestel. Mijn ongeduld, energie en nieuwsgierigheid hebben me aangezet om de wereld te bereizen, reisreportages voor de televisie te maken, in tv-panels te zitten, het ontspanningsprogramma Pro en Contra met Willy Courteaux en wijlen Nand Baert te presenteren, een serie over de ontdekkingsreizen van Magelhaen te maken, les te geven, boeken te schrijven, te lezen,…

“Ik houd van het leven. Ik leef zelfs pallieteriaans, genoeglijk en met voldoende aandacht voor de kleine vreugden. De lijsters in de bomen. De geur van mimosa die de wind meebrengt; ik woon tijdens de lente en de zomer in de frisse hitte van de Provence zoals u weet. Het parfum van een abrikoos. De smaak van een glas whisky on the rocks, tegenwoordig van het merk J & B of Chivas Regal, mijn dagelijks aperitief, geserveerd in een glas van kristal; de klank van het ijs tegen het kristal maakt integraal deel uit van het genot. Maar elk genoegen dat ik hier op aarde beleef, blijft verbonden aan het bitterzure besef dat ik op zal gaan in de kosmos. Dat ik deel zal uitmaken van die baaierd, die chaos die bestaat uit methaan, ammoniak, waterstof, water en lucht. Ik moet dus terug naar dat onzindelijke oord, waar het stinkt, want het stinkt daar, heb je al eens ammoniak geroken?”

Zijn uw boeken een pleister op deze wonde der sterfelijkheid?

“Ja, ik vind het aangenaam te weten dat mijn boeken, ik heb er inmiddels 98 geschreven, nog een tijdje zullen blijven. In Rijkevorsel komt binnenkort een museum Aster Berkhof. Ook dat vind ik prettig. Maar het zou veel prettiger zijn mocht ik nog enkele decennia verder kunnen schrijven. En mocht ik intussen een antwoord op de vraag van het waarom krijgen.”

In ongeveer zestig jaar tijd schreef u 98 boeken. Die hoge productie bracht ook oppervlakkigheid mee. U wordt niet bij de grote literatoren van ons taalgebied gerekend. In plaats daarvan geldt u als autoriteit in de betere ontspanningsliteratuur. Hebt u niet genoeg uw best gedaan, kon u gewoon niet beter, of was de ontspanningsliteratuur uw bewuste keuze?

“Heb ik naar best vermogen geschreven? Niet altijd, omdat het ongeduld in de weg stond. En ik geef misschien nogal makkelijk toe. Een van mijn boeken, een behoorlijk volumineus, heb ik in negen dagen geschreven. Ik verklap niet welk. Maar over Het huis van Mama Pondo (1972) heb ik dan weer drie jaar gedaan. Dat is een heel goed boek. Dus ja, ik heb veel middelmatige, enkele slechte en enkele erg goede boeken geschreven. Goed, dat betekent: goed gecomponeerd, geschreven in een helder en vloeiend Nederlands en bevolkt door personages met inhoud. Zoals, ik geef maar enkele voorbeelden, Mama Pondo, Het dagboek van een missionaris, Donnadieu, en ook Amanda. Amanda vind ik een van mijn beste boeken, over een moeder van zeven volwassen kinderen – het jongste werd juist achttien – die haar gezin verlaat. Over de dubbele moraal waarmee zo’n beslissing maatschappelijk benaderd wordt, de vooroordelen waarmee zo’n vrouw te kampen krijgt, en die strijd van buitenaf geplaatst tegenover haar innerlijke gevecht; een zoektocht naar zelfstandigheid en gerechtigheid.

“Ik schrijf alleen als ik in België ben. In het klimaat van de Provence groeien de boeken in mijn hoofd. Ik wandel door de heuvels. Ik tuur naar de zee. Ik denk na. Verhalen krijgen er vorm en inhoud. Maar zodra de herfst begint, verlang ik naar het nevelige weer van België. Ik heb dit weer nodig om alles wat in mijn hoofd zit, op papier te zetten. Ik ben niet iemand die heel lang nadenkt over een woord. Ik wil het goed en correct hebben, en dat volstaat. Zoeken naar het juiste woord of de juiste spatie kan een cultus worden. Dat is goed, dankzij die werkwijze worden er soms meesterwerken geboren. Maar ik zit zo niet in elkaar. Ik wil vertellen. Literatuur wordt vaak vereenzelvigd met stijl en mooischrijverij; wat er geschreven wordt, is bijzaak. Bij mij niet. Ik vind vooral het verhaal belangrijk. Hieruit mag je niet afleiden dat het schrijven me gemakkelijk afgaat. Ik schrijf heel impulsief. Mijn manuscripten zijn een poespas van woorden en zinnen. Soms blijft er van de eerste versie niet veel overeind. Dit is het manuscript van Mama Pondo (diept een dikke stapel, van meer dan 10 centimeter hoog, handgeschreven vellen tevoorschijn. In de linkermarge bovenaan op de eerste bladzijde heeft Berkhof zichzelf met een adagio aangemaand: ‘ik zal proberen dit verhaal te schrijven zonder haat’, krabbelde hij er neer, mvds). De eerste versie telt meer doorhalingen dan iets anders. Van deze eerste bladzijde van 3 februari 1967 is in de eigenlijke versie slechts één enkele zin overeind gebleven. Ik worstel dus met het schrijven. Dat worstelen is plezierig, maar het blijft hoe dan ook een gevecht.

“Ik denk dat het mijn verdienste is geweest dat ik de lichtvoetige, stijlvolle smaak in de Vlaamse ontspanningsliteratuur heb geloodst. Ik heb de avonturenroman en het detectivegenre niet uitgevonden, maar ik was wel een van de weinigen en een van de eersten die deze genres hier bedreven. Uiteraard heeft het succes van Veel geluk, professor me met deze doorbraak geholpen. Maar mijn invloed is, dat hoor ik van andere mensen, ruimer dan dat. Ik heb in Vlaanderen de brug van links naar rechts helpen bouwen. Ik, auteur van katholieke huize, heb me heel snel als agnost opgesteld. In Dagboek van een missionaris (1962) en De woedende Christus’ (1975) stel ik het geloof ter discussie; het zijn priesterromans waarin ik de problematiek van het katholicisme uitgebreid aankaart. Iets wat in die tijd niet vanzelfsprekend was. Jazeker, het antikatholicisme van Boon en de vrijzinnigheid van Gerard Walschap speelden al een rol. Maar ik was de katholieke en succesvolle populaire auteur Berkhof. Dat ik in Het huis van mama Pondo openlijk tegen apartheid schreef, heeft zonder meer invloed gehad op de algemene opinie van de jaren zeventig. Apartheid werd in ons land genegeerd. Pas toen BBC-reportagemakers erin waren geslaagd om tersluiks in Soweto te gaan filmen, en pas toen die beelden de wereld in werden gezonden, kregen Mama Pondo en ik gelijk. Vlaanderen zag in dat het er in Zuid- Afrika toeging zoals ik geschreven had.”

Hoe kan iemand die in onmin met de wereld leeft toch luchtige, weinig omvattende romances à la Veel geluk, professor schrijven? Wat is de echte drijfveer van uw schrijven?

“Schrijven houdt een geografische en een psychologische verkenning is. In een tijd toen er nog amper gereisd werd heb ik, alleen, de wereld verkend. Ik ben door Afghanistan getrokken, door Pakistan, ik ben in China geweest, heb Afrika verkend, Latijns-Amerika, het Himalayagebergte,… Veel geluk, professor werd geboren na een skireis, vlak na de oorlog, toen skiën heus nog geen regulier tijdverdrijf was. Behalve de aarde heb ik ook mezelf verkend. Schrijven doe je ook naar binnen toe. Je graaft in jezelf. Je kiest personages. Je laat die personages beslissingen nemen. Kiezen ze voor ‘ja’ of voor ‘neen’, en als ze die keuze dan gemaakt hebben, tot welke mogelijkheden leiden die dan. Dat moet je allemaal afwegen. Schrijven is ook een manier om de wereld te verduidelijken. Door denkpistes in woorden onder te brengen, maak je ze helder. Een auteur houdt er altijd een apart leven op na. Om te schrijven moet hij zich afzonderen. Terwijl het familieleven zich rondom mij afspeelde/afspeelt, was/is mijn hoofd met mijn boeken bezig. Je kunt niet praten over wat je aan het schrijven bent. Wat ik over het boek in wording weet, weet ik alleen. Mijn voorkennis is zo groot dat het onmogelijk is dat een ander enkele bestaande hoofdstukken in hun context kan begrijpen. Die zelfgezochte eenzaamheid is noodzakelijk.

“Ik heb goed verdiend aan mijn boeken, maar dat kon ik destijds beter niet zeggen. Wie met zijn pen zijn brood verdiende, was een broodschrijver, en dat gold als een schande. Florissante financiën bewezen dat je met de commercie heulde, en daar was iedereen vies van. Op dat vlak vindt er tegenwoordig een merkwaardige evolutie plaats. Een broodschrijver heet nu een voltijds schrijver, en voltijdse schrijvers zijn een gerespecteerde soort.

“Vandaag word ik uiteraard veel minder gelezen dan vroeger. Mijn jongste boek, Pipo, is enkele weken geleden verschenen. Ik ken de verkoopcijfers nog niet. Maar ik maak me geen illusies. In de loop der jaren neem je een aantal lezers mee, maar je verliest er ook een aantal. Hoe ouder je wordt, hoe meer jaren er voorbijgaan, hoe minder je wordt gelezen. Dat is nu eenmaal een verschijnsel dat bij de hoge leeftijd hoort. Ik zou dom moeten zijn om me daar permanent tegen te verzetten. Ook dat bekijk ik rationeel. Toen ik jong was, was Streuvels stokoud. En dus las ik Streuvels niet.”

Waarom mag ik niet weten of er niet toch enige zin aan dit bestaan vasthangt? Aan het bestaan van deze aarde? En als alles dan inderdaad echt volstrekt zinloos is, wie amuseert zich daar dan mee? Wie bedenkt dit spelletje dan? In Iran beeft de aarde om de vijf jaar. Welke god gaat er schuil achter die morbide wetmatigheid?Ik ben niet iemand die heel lang nadenkt over een woord. Ik wil het goed en correct hebben, en dat volstaat. Zoeken naar het juiste woord of de juiste spatie kan een cultus worden

Aster Berkhof

 


‘We moeten tegen de absurditeit in opstand komen’

In de reeks ‘Schrijvers gaan niet dood’ voert Margot Vanderstraeten gesprekken met de oudste generatie Nederlandstalige auteurs over de kern van hun bestaan: hun pen. Nadat ze op bezoek is geweest bij Jos Vandeloo, Ward Ruyslinck, Paul de Wispelaere, Hella Haasse, Ivo Michiels, Hugo Raes, Harry Mulisch, Jef Geeraerts, Simon Vinkenoog en Christine D’haen, praat ze nu met Aster Berkhof.

Door Margot Vanderstraeten

Meer dan een halve eeuw geleden schreef Aster Berkhof (1920) zijn eerste kaskraker Veel geluk, professor. Daarna volgden nog een negentigtal boeken en gold Berkhof decennialang als de meest gelezen auteur in Vlaanderen. “Mijn oeuvre is een product van mijn drie voornaamste karaktereigenschappen: ongeduld, energie en nieuwsgierigheid. Zullen we dus maar beginnen?”

Hij is twee keer geboren. De eerste keer als Lodewijk van den Bergh, dat was in 1920, in een ruime woning in Rijkevorsel, in de Antwerpse Noorderkempen. Ten grondslag aan deze eerste geboorte liggen zijn ouders. De tweede keer verlopen verwekking en baring enigszins anders.

Het is 1944, het land schokt onder de naweeën van de oorlog. Lodewijk van den Bergh staat te popelen om de wereld en zichzelf beter te leren kennen. Hij neemt de pen ter hand en begint te schrijven. Hij ervaart schrijven als een tweede keer geboren worden. De heer in grijze mantel is zijn romandebuut. Hij, germanist, wil niet dat zijn fictie onder dezelfde naam verschijnt als zijn essays die hij als wetenschappelijk onderzoeker aan de universiteit van Leuven schrijft. Zijn fictie zou de geloofwaardigheid van zijn academisch werk onderuit halen. Op een dag staat Berkhof in de tuin, de hof, van zijn ouders, en hij ziet zijn nieuwe naam aan zijn voeten groeien. Onder de berken bloeien de asters. Voortaan, besluit Lodewijk (Louis) van den Bergh, heet hij ook Aster Berkhof.

De aarde groeit niet alleen in uw naam maar ook in uw boeken. U houdt van de natuur. Houdt u ook van de mens?

“Ik houd van de aarde en ik leef in onmin met de wereld, gevatter kan ik het niet stellen. Ik maak me boos om de domme manier waarmee wij mensen de aarde verknoeien, en dan heb ik het niet alleen over pollutie. Ook de wijze waarop mensen elkaar behandelen, brengt de aarde schade toe. Een voor de hand liggend voorbeeld is de oorlog om olie in Irak. En het illusoire einde van die oorlog. Eerst maken de Amerikanen en de Britten het land met de grond gelijk. Vervolgens gaan ze het weer opbouwen. Op kosten van de Irakezen, want die betalen met hun olieopbrengsten. Uit verscheidene internationale onderzoeksrapporten blijkt dat de wederopbouw gepaard gaat met corruptie op grote schaal. Buitenlandse ondernemingen voeren de werken uit, terwijl Iraakse bedrijven werkloos staan toe te kijken. De Amerikaanse regering zou lucratieve contracten hebben toegewezen aan bedrijven die banden hebben met leden van hun politieke elite. Enzovoort. Met die hardvochtige gang van zaken, waarin de grote economie het leven en het voelen overheerst, kan ik geen vrede nemen. Nu niet. Vroeger niet.

“Mijn vader was hoofdonderwijzer, mijn moeder onderwijzeres, beiden in hetzelfde schooltje. We hadden het goed met hun loon, maar we hadden het nog beter omdat mijn moeder uit een aristocratische boerenfamilie kwam. Haar vader was jarenlang burgemeester van Merksplas. Mijn moeder kwam uit een welgesteld, intellectueel milieu: honderd jaar geleden al volgde ze opleiding in een chic pensionaat.

“In Rijkevorsel Sint-Jozef, waar ik ben opgegroeid, leefden de meeste mensen van de plaatselijke industrie. Er waren een cementfabriek en een kuiperij. Een chemisch bedrijf en meerdere baksteenfabrieken. Ik herinner me dat enkele schoolkameraadjes van me in huizen woonden zonder vloer. Ik bedoel: de vloer van hun huizen bestond uit grond. En als je op hun zolderkamers was, kon je door de dakpannen de lucht zien. In vergelijking met hun woningen was het huis van mijn ouders groot en comfortabel.

“Als jonge knaap was ik me al bewust van het grote verschil tussen hun en mijn wereld. Dat besef bezorgde me een gevoel van onbehaaglijkheid. Ik wilde dat m’n vrienden en hun families het even goed en comfortabel hadden als ik. Vandaag, meer dan tachtig jaar later, voel ik datzelfde onbehagen nog steeds als ik geconfronteerd word met de kleine man die niet genoeg heeft. Ik zou verandering willen. Ik kom in opstand tegen onrechtvaardigheid. Maar ik ben geen geweldenaar. En ik ben al evenmin iemand die op de barricades staat. Gewone vormen van gezag duld ik; orde heeft een gezonde hiërarchie nodig. Helaas is er ook veel ongezonde hiërarchie. Vroeger zwom ik veel en vrij in de Middellandse Zee. Vandaag is die zee niet alleen vervuild, ze is ook een toeristisch sportterrein geworden: het krioelt er van de zeilboten en de waterscooters en wie wil zwemmen hoort dat in het speciaal met boeien afgebakende tunneltje water te doen. Daar pas ik voor.

“Mijn verzet neemt de vorm aan die Albert Camus in zijn essay l’Homme révolté (De mens in opstand, mvds) uit de doeken doet. Als student was ik al een bewonderaar van Camus; hij was min of meer een leeftijdgenoot, slechts zeven jaar ouder dan ik en al een groot en gerespecteerd auteur en denker. Camus’ filosofie is dat het menselijk bestaan geen zin heeft; hij vond het absurd dat we in deze wereld een bepaald aantal jaren doorbrengen en vervolgens doodgaan. Ik treed hem daarin bij. En ik volg ook zijn mening dat we die zinloosheid niet gewoon mogen aanvaarden. We moeten tegen de absurditeit in opstand komen. Door solidair te zijn. We zijn met velen, dat is een feit. Indien er geen morele wetten geopenbaard of aangeboren zijn, dan ben ik ook geboren als een moordenaar. Dat we elkaar niet doden, is omdat de solidariteit overheerst. Doe niet met een ander wat je niet wilt dat de ander met jou doet.”

Stemt die solidariteit niet overeen met ‘het geweten’?

“Wat is een geweten anders dan een verkeersreglement; regels die meerdere mensen respecteren om het gezamenlijke leven zo vlot mogelijk te doen verlopen. Ik geloof niet in een aangeboren geweten. Hoe zou de mens zich gedragen als hij helemaal alleen op de wereld zou zijn? Het is de solidariteit met de ander die maakt dat we in staat zijn om met elkaar te leven. Ik weiger de boef te zijn. Ik weiger de ander te vernederen. En ik probeer dat principe in mijn leven te huldigen.”

Het leven heeft volgens u geen enkele zin. Hoe pijnlijk is dat besef naarmate u dichterbij de dood komt?

“Ik heb de statistische sterfteleeftijd van de Belgische man al overschreden. Nog dertien jaar en ik ben honderd. En dat terwijl wetenschappelijke, paleontologische onderzoeken bewezen hebben dat aan de aarde nog maximaal 4 tot 5 miljard levensjaren zijn gegund. 4 à 5 miljard lijkt veel, het is ook veel, maar toch. Ze zijn geen eeuwigheid. Op een dag houdt het dus allemaal op. Sinds ik weet dat de eindigheid van de aarde een feit is, is mijn leven er een stuk minder prettig op geworden. Ik kan niet verdragen dat er niets overblijft. Ik kan me er niet bij neerleggen dat het allemaal voor niets is geweest. Is het waar dat de aarde nergens vandaan komt en ook nergens heen gaat? We weten het niet. We weten nog zoveel niet. En waarom mag ik dat niet weten, denk ik dan. Waarom mag ik niet weten of er niet toch enige zin aan dit bestaan vasthangt? Aan het bestaan van deze aarde? En als alles dan inderdaad echt volstrekt zinloos is, wie amuseert zich daar dan mee? Wie bedenkt dit spelletje dan? In Iran beeft de aarde om de vijf jaar. Welke god gaat er schuil achter die morbide wetmatigheid? En als het dan een god is, dan mag hij zijn daden toch eens komen verantwoorden voor het Internationaal Gerechtshof van Den Haag.

“Nu ik ouder word, zit die zinloosheid me dwarser dan ooit. Ik ben geen kniezer. Ik ben geen doemdenker. Maar het zou troostvol zijn om te weten waartoe het allemaal heeft gediend. Gelovigen trekken zich op aan het leven na de dood. Dat mag van mijn part. Ik ben niet gelovig. En ik vind gelovig zijn ook geen eerbiedwaardig iets. Geloven is niets anders dan iets aannemen wat je niet weet. Wie wil geloven dat 2 plus 2 gelijk is aan 5, mag zijn gang gaan, maar moet van mij geen eerbied voor zijn denken vragen. Ik ben rationeel. Ik wil antwoorden. Dus ook op de vraag waartoe het dient dat ik hier op een brok gesteente zit die zo vol energie zit dat hij af en toe uitbarst, en een tsunami, een vulkaanuitbarsting of een aardbeving veroorzaakt.

“Het leven dat ik leid, dat ik heb mogen leiden, is een vakantie. Ik beschouw de dood als het einde van deze vakantie. En tot het zover is leef ik met volle teugen. Je hebt mensen die halverwege hun vakantie al zeggen: ‘Jakoba, die handdoeken niet gebruiken want dan zijn ze nat als we terugreizen.’ Ik maak alles nat tot de laatste seconde. Uiteraard is deze vakantie niet alleen mijn verdienste. Ik heb van begin af aan veel cadeau gekregen. Mijn gezond gestel. Mijn ongeduld, energie en nieuwsgierigheid hebben me aangezet om de wereld te bereizen, reisreportages voor de televisie te maken, in tv-panels te zitten, het ontspanningsprogramma Pro en Contra met Willy Courteaux en wijlen Nand Baert te presenteren, een serie over de ontdekkingsreizen van Magelhaen te maken, les te geven, boeken te schrijven, te lezen,…

“Ik houd van het leven. Ik leef zelfs pallieteriaans, genoeglijk en met voldoende aandacht voor de kleine vreugden. De lijsters in de bomen. De geur van mimosa die de wind meebrengt; ik woon tijdens de lente en de zomer in de frisse hitte van de Provence zoals u weet. Het parfum van een abrikoos. De smaak van een glas whisky on the rocks, tegenwoordig van het merk J & B of Chivas Regal, mijn dagelijks aperitief, geserveerd in een glas van kristal; de klank van het ijs tegen het kristal maakt integraal deel uit van het genot. Maar elk genoegen dat ik hier op aarde beleef, blijft verbonden aan het bitterzure besef dat ik op zal gaan in de kosmos. Dat ik deel zal uitmaken van die baaierd, die chaos die bestaat uit methaan, ammoniak, waterstof, water en lucht. Ik moet dus terug naar dat onzindelijke oord, waar het stinkt, want het stinkt daar, heb je al eens ammoniak geroken?”

Zijn uw boeken een pleister op deze wonde der sterfelijkheid?

“Ja, ik vind het aangenaam te weten dat mijn boeken, ik heb er inmiddels 98 geschreven, nog een tijdje zullen blijven. In Rijkevorsel komt binnenkort een museum Aster Berkhof. Ook dat vind ik prettig. Maar het zou veel prettiger zijn mocht ik nog enkele decennia verder kunnen schrijven. En mocht ik intussen een antwoord op de vraag van het waarom krijgen.”

In ongeveer zestig jaar tijd schreef u 98 boeken. Die hoge productie bracht ook oppervlakkigheid mee. U wordt niet bij de grote literatoren van ons taalgebied gerekend. In plaats daarvan geldt u als autoriteit in de betere ontspanningsliteratuur. Hebt u niet genoeg uw best gedaan, kon u gewoon niet beter, of was de ontspanningsliteratuur uw bewuste keuze?

“Heb ik naar best vermogen geschreven? Niet altijd, omdat het ongeduld in de weg stond. En ik geef misschien nogal makkelijk toe. Een van mijn boeken, een behoorlijk volumineus, heb ik in negen dagen geschreven. Ik verklap niet welk. Maar over Het huis van Mama Pondo (1972) heb ik dan weer drie jaar gedaan. Dat is een heel goed boek. Dus ja, ik heb veel middelmatige, enkele slechte en enkele erg goede boeken geschreven. Goed, dat betekent: goed gecomponeerd, geschreven in een helder en vloeiend Nederlands en bevolkt door personages met inhoud. Zoals, ik geef maar enkele voorbeelden, Mama Pondo, Het dagboek van een missionaris, Donnadieu, en ook Amanda. Amanda vind ik een van mijn beste boeken, over een moeder van zeven volwassen kinderen – het jongste werd juist achttien – die haar gezin verlaat. Over de dubbele moraal waarmee zo’n beslissing maatschappelijk benaderd wordt, de vooroordelen waarmee zo’n vrouw te kampen krijgt, en die strijd van buitenaf geplaatst tegenover haar innerlijke gevecht; een zoektocht naar zelfstandigheid en gerechtigheid.

“Ik schrijf alleen als ik in België ben. In het klimaat van de Provence groeien de boeken in mijn hoofd. Ik wandel door de heuvels. Ik tuur naar de zee. Ik denk na. Verhalen krijgen er vorm en inhoud. Maar zodra de herfst begint, verlang ik naar het nevelige weer van België. Ik heb dit weer nodig om alles wat in mijn hoofd zit, op papier te zetten. Ik ben niet iemand die heel lang nadenkt over een woord. Ik wil het goed en correct hebben, en dat volstaat. Zoeken naar het juiste woord of de juiste spatie kan een cultus worden. Dat is goed, dankzij die werkwijze worden er soms meesterwerken geboren. Maar ik zit zo niet in elkaar. Ik wil vertellen. Literatuur wordt vaak vereenzelvigd met stijl en mooischrijverij; wat er geschreven wordt, is bijzaak. Bij mij niet. Ik vind vooral het verhaal belangrijk. Hieruit mag je niet afleiden dat het schrijven me gemakkelijk afgaat. Ik schrijf heel impulsief. Mijn manuscripten zijn een poespas van woorden en zinnen. Soms blijft er van de eerste versie niet veel overeind. Dit is het manuscript van Mama Pondo (diept een dikke stapel, van meer dan 10 centimeter hoog, handgeschreven vellen tevoorschijn. In de linkermarge bovenaan op de eerste bladzijde heeft Berkhof zichzelf met een adagio aangemaand: ‘ik zal proberen dit verhaal te schrijven zonder haat’, krabbelde hij er neer, mvds). De eerste versie telt meer doorhalingen dan iets anders. Van deze eerste bladzijde van 3 februari 1967 is in de eigenlijke versie slechts één enkele zin overeind gebleven. Ik worstel dus met het schrijven. Dat worstelen is plezierig, maar het blijft hoe dan ook een gevecht.

“Ik denk dat het mijn verdienste is geweest dat ik de lichtvoetige, stijlvolle smaak in de Vlaamse ontspanningsliteratuur heb geloodst. Ik heb de avonturenroman en het detectivegenre niet uitgevonden, maar ik was wel een van de weinigen en een van de eersten die deze genres hier bedreven. Uiteraard heeft het succes van Veel geluk, professor me met deze doorbraak geholpen. Maar mijn invloed is, dat hoor ik van andere mensen, ruimer dan dat. Ik heb in Vlaanderen de brug van links naar rechts helpen bouwen. Ik, auteur van katholieke huize, heb me heel snel als agnost opgesteld. In Dagboek van een missionaris (1962) en De woedende Christus’ (1975) stel ik het geloof ter discussie; het zijn priesterromans waarin ik de problematiek van het katholicisme uitgebreid aankaart. Iets wat in die tijd niet vanzelfsprekend was. Jazeker, het antikatholicisme van Boon en de vrijzinnigheid van Gerard Walschap speelden al een rol. Maar ik was de katholieke en succesvolle populaire auteur Berkhof. Dat ik in Het huis van mama Pondo openlijk tegen apartheid schreef, heeft zonder meer invloed gehad op de algemene opinie van de jaren zeventig. Apartheid werd in ons land genegeerd. Pas toen BBC-reportagemakers erin waren geslaagd om tersluiks in Soweto te gaan filmen, en pas toen die beelden de wereld in werden gezonden, kregen Mama Pondo en ik gelijk. Vlaanderen zag in dat het er in Zuid- Afrika toeging zoals ik geschreven had.”

Hoe kan iemand die in onmin met de wereld leeft toch luchtige, weinig omvattende romances à la Veel geluk, professor schrijven? Wat is de echte drijfveer van uw schrijven?

“Schrijven houdt een geografische en een psychologische verkenning is. In een tijd toen er nog amper gereisd werd heb ik, alleen, de wereld verkend. Ik ben door Afghanistan getrokken, door Pakistan, ik ben in China geweest, heb Afrika verkend, Latijns-Amerika, het Himalayagebergte,… Veel geluk, professor werd geboren na een skireis, vlak na de oorlog, toen skiën heus nog geen regulier tijdverdrijf was. Behalve de aarde heb ik ook mezelf verkend. Schrijven doe je ook naar binnen toe. Je graaft in jezelf. Je kiest personages. Je laat die personages beslissingen nemen. Kiezen ze voor ‘ja’ of voor ‘neen’, en als ze die keuze dan gemaakt hebben, tot welke mogelijkheden leiden die dan. Dat moet je allemaal afwegen. Schrijven is ook een manier om de wereld te verduidelijken. Door denkpistes in woorden onder te brengen, maak je ze helder. Een auteur houdt er altijd een apart leven op na. Om te schrijven moet hij zich afzonderen. Terwijl het familieleven zich rondom mij afspeelde/afspeelt, was/is mijn hoofd met mijn boeken bezig. Je kunt niet praten over wat je aan het schrijven bent. Wat ik over het boek in wording weet, weet ik alleen. Mijn voorkennis is zo groot dat het onmogelijk is dat een ander enkele bestaande hoofdstukken in hun context kan begrijpen. Die zelfgezochte eenzaamheid is noodzakelijk.

“Ik heb goed verdiend aan mijn boeken, maar dat kon ik destijds beter niet zeggen. Wie met zijn pen zijn brood verdiende, was een broodschrijver, en dat gold als een schande. Florissante financiën bewezen dat je met de commercie heulde, en daar was iedereen vies van. Op dat vlak vindt er tegenwoordig een merkwaardige evolutie plaats. Een broodschrijver heet nu een voltijds schrijver, en voltijdse schrijvers zijn een gerespecteerde soort.

“Vandaag word ik uiteraard veel minder gelezen dan vroeger. Mijn jongste boek, Pipo, is enkele weken geleden verschenen. Ik ken de verkoopcijfers nog niet. Maar ik maak me geen illusies. In de loop der jaren neem je een aantal lezers mee, maar je verliest er ook een aantal. Hoe ouder je wordt, hoe meer jaren er voorbijgaan, hoe minder je wordt gelezen. Dat is nu eenmaal een verschijnsel dat bij de hoge leeftijd hoort. Ik zou dom moeten zijn om me daar permanent tegen te verzetten. Ook dat bekijk ik rationeel. Toen ik jong was, was Streuvels stokoud. En dus las ik Streuvels niet.”

Waarom mag ik niet weten of er niet toch enige zin aan dit bestaan vasthangt? Aan het bestaan van deze aarde? En als alles dan inderdaad echt volstrekt zinloos is, wie amuseert zich daar dan mee? Wie bedenkt dit spelletje dan? In Iran beeft de aarde om de vijf jaar. Welke god gaat er schuil achter die morbide wetmatigheid?Ik ben niet iemand die heel lang nadenkt over een woord. Ik wil het goed en correct hebben, en dat volstaat. Zoeken naar het juiste woord of de juiste spatie kan een cultus worden

Aster Berkhof