Maar hij bleef aandringen. En zijn stem aan de andere kant van de lijn klonk mooi en glashelder, en de woorden die hij uitsprak, waren veelzijdig en origineel en voor ik er erg in had, masseerden zijn taal en prosodie mijn ego, en omdat er in dit leven al te weinig wordt gemasseerd, liet ik me die behandeling welgevallen.


Twee weken later fietste ik aan zijn zijde in een colonne recreanten van wie de meesten – hij helaas ook – niet alleen een fluorescerend hesje en gymschoenen droegen, maar ook griezelig dynamisch en actief voor de dag kwamen.


Ze deelden folders uit. Bevestigden, ongevraagd, een wimpel aan mijn fiets en klopten me zo bemoedigend op de schouder dat ik er schrik van kreeg.


Ze klapten, al fietsend, vervaarlijk in hun handen. Rinkelden met hun bellen. Deden of ik hun beste vriendin was.


Daar trapte ik. Met deze vrolijke bende mee. In iets wat door de deelnemers bestempeld werd als een gezellig optochtje voor de veiligheid van de tweewieler.


Hoe langer ik trapte, hoe meer de zin van deze samenscholing me ontging. En hoe meer ik verkrampte. Ik sleurde me door deze zinvolle zondagse bezigheid.


Na afloop hoorde ik mezelf het afgesproken, sympathiserende speechje afsteken, en nog voor de club kon applaudisseren, had ik een uitvlucht verzonnen om met grote spoed van deze onheilsplek weg te sprinten


Toen ik eindelijk, na een van de langste namiddagen uit mijn leven, in mijn eentje weer huiswaarts fietste, viel het lood in stukjes van mijn betonnen, beurs geklopte schouders.


Ik dacht, hoe sterk is inderdaad die eenzame fietser die, krom gebogen over het stuur, zichzelf een weg baant.