“Kom binnen, kom binnen”, roept de grootmoeder van Stjepan Zecevic. Althans, ik denk dat ze dat roept, want van het Kroatisch heb ik geen kaas gegeten. Maar de oude vrouw die uit haar raam hangt, roept me met haar handen. Ze wuift en wijst dan naar de deur, onder het raam. Even later sta ik in de inkomhal van een vrij groot hoekhuis in het hart van oud-Dubrovnik. Grootmoeder roept er haar kleinzonen bij – beiden rond de twintig – en zodra die een vreemde in de gang zien staan, beginnen ze te zuchten. En te mopperen. Als ik vraag wat er aan de hand is, geeft de jongste mij aanvankelijk met tegenzin een Engels woordje uitleg. “Grootmoeder roept altijd vreemde mensen binnen. En zeker journalisten. En dan begint ze te wenen. En laat ze haar huis zien. Troont ze je mee naar de zolder om te tonen waar de granaten ingeslagen zijn. En ze weent dan en ze weent maar. Met haar armen in de lucht vraagt ze God om uitleg. En ik houd er niet van haar te zien wenen. De oorlog is vorbij. Het heeft geen zin om te blijven jammeren…”

Er schuilt verwijt in de houding van de jongens. Verwijt en onbegrip, hulpeloosheid ook. Wat moet je met zo’n huilende grootmoeder – “she’s emotionally damaged” – die om de haverklap vraagt om haar verdriet in het Engels te vertalen? Ze hebben het al te vaak meegemaakt. En deze jongens hebben zo hun eigen manier om met de oorlog om te gaan, blijkt naderhand. De voorspelde rondleiding volgt terwijl stilaan, gelukkig, ook wederzijds vertrouwen en sympathie groeien. “Of ik niet naar hun kamer wil om een amateurvideo te bekijken? Over Servische aanvallen op Dubrovnik.” Het is een video van meer dan een halfuur. We zitten op een plastic sofa in een vrij kale kamer. Het is er kil. Verwarming hebben de Zecevics niet. Op een meter van mij vandaan sloeg zeven jaar geleden een vernietigende granaat in. Niet zonder enige trots krijg ik een loodzwaar stuk van de granaat in mijn handen gestopt. “Dat is ze. Ze heeft drie verdiepingen doorboord. Neen geen doden. Er was niemand in huis…”

Naarmate de videobeelden de slaapkamer binnenrollen, stijgt ook de spanning, schuifelen de jongens zenuwachtig op de ritselende plastic sofa en glijdt er af en toe een vreemde grijns over hun lippen. Misschien zouden ze beter huilen, zoals hun grootmoeder. Maar tranen komen niet op bestelling.

6 december 1991: de datum staat gegrift in het geheugen van alle inwoners van Dubrovnik, een kleine 50.000. Het is op die koude, bittere herfstdag dat de oude binnenstad door de Serviërs met granaten bestookt werd en de bewoonde, historische stadkern op honderden plekken geraakt werd. Daken stortten in, woningen brandden uit. En de bevolking vluchtte naar de kelders bij de stadsmuren, hield zich schuil voor bombardementen en aanvallen vanaf de omliggende bergen en de binnenhaven. Niet iedereen kon ontsnappen, een aantal inwoners – de cijfers gaan van dertig tot zestig – kwam om het leven. De restauratie en heropbouw van de stad zijn voor een buitenstaander moeilijk in te schatten. Een grote kaart, die aan de ingang van de stad ophangt, geeft een duidelijker zicht op de zaak. Het stadsplan geeft met zwarte driehoeken alle inslagen op de stad weer. ‘Plan met beschadigingen uit ’91 en ’92’ staat er. En vervolgens: ‘veroorzaakt door de agressie van het Joegoslavische leger, Serviërs en Montenegrijnen’. Het plan ziet letterllijk zwart van de kleine driehoekjes. Twee derde van de vernielingen is weer opgeknapt. “De lafaards. We konden niets beginnen. De Serviërs hadden alle wapens. Wij nauwelijks. Komt door de Europeanen en Amerikanen. Een wapenembargo en geen interventies van de Verenigde Naties. Toch niet de eerste twee jaar… Ja, in het heetst van de strijd zijn wij naar Italië gevlucht. Alleen onze ouders zijn hier gebleven. Natuurlijk is dat geen prettige herinnering: vluchteling zijn op je vijftiende. Verdriet? Dat is niet het juiste woord. Wij zijn verschrikkelijk boos, zitten vol ingehouden woede.”

Gesprekken met andere jongeren bevestigen dit standpunt: mocht de grens met Bosnië-Herzegovina niet zo goed bewaakt zijn, dan zou de oorlog meteen weer opnieuw kunnen beginnen. De meeste jongemannen geven openlijk toe dat ze vol agressieve gevoelens zitten tegenover de ‘vijand’: de Serviërs. En dat ze eigenlijk uitkijken naar een nieuwe confrontatie. Grootspraak, natuurlijk. Maar niet voor honderd procent. De ondertoon klinkt gevaarlijk en de wraaklust is overal aanwezig, zelfs voelbaar. “Ik heb er zelfs zin in”, zegt Stjepans jongere broer. “Vergeet niet dat oorlog spannend is. Aan de ene kant maakt het je bang. Maar aan de andere kant is het ook fun. Nu is alles saai.”

Gelukkig is grootmoeder Rajka Zecevic niet meer in de buurt, ze zou haar armen nogmaals wanhopig naar de hemel reiken. Meisjes en vrouwen denken over de zaak trouwens volledig anders. “Oorlog is nergens goed voor. Laat ons toch rustig leven…” En hoewel in de straten van Dubrovnik het groot aantal kleine kinderen meteen opvalt – de naoorlogse babyboom, nietwaar -, heeft een aanzienlijk deel van de mannelijke bevolking met zware oorlogstrauma’s te kampen. “De situatie is uitzichtloos. Heel veel mannen, waaronder mijn vader, zijn plots in een oorlog terechtgekomen. En moesten vechten. Doden ook om niet zelf gedood te worden. En toezien hoe anderen, vaak naasten, verwond of gedood werden… Geen wonder dat depressie hier een veel voorkomende ziekte is. En dat het zelfmoordcijfer zo hoog ligt…”

De zwarte markt, beter gezegd de zwarte wapenmarkt, tiert tijdens deze naoorlogse dagen bijzonder welig. “Als je morgen een kalasjnikov nodig hebt, dan bezorg ik je er een. Geen probleem. Alles is verkrijgbaar, je moet alleen maar weten waar. Wat we ermee doen? Nu niets. Maar later…”

En hoewel de Kroatische bevolking de lakse houding van de Verenigde Naties ten opzichte van hun oorlog streng veroordeelt, koestert ze toch een zekere bewondering voor West-Europeanen. “Jullie weten wat hard werken is”, zegt Stjepan. “Wij niet. Wij hebben in het socialistisch regime nooit hard moeten werken. Nu zitten we in een overgangsysteem. Maar dat is ook niet goed. Niemand wil immers dat het land in handen van een handvol kapitalisten valt. Nu hebben we een eigen land, nu moet het ook aan het volk toebehoren. Daarom dat de sociaal-democratische partijen aan belang en aanhang winnen.” Zijn visie op West-Europa is eenzijdig en gekleurd. Het lijkt op het beeld dat vele West-Europeanen dertig jaar geleden hadden van de Verenigde Staten. West-Europa als paradijs. Op allerlei vlakken. Hij is in Italië en Oostenrijk geweest. “Opgelet! Kroatië kan ook een paradijs zijn. In de zomer bijvoorbeeld. Vaar je met je boot naar een of ander eiland en vier je feest. Daarvoor heb je niet veel nodig. Een gitaar, enkele vrienden en vriendinnen, en wat drank. Dat zijn onvergetelijke dagen. En die wissen al die andere onvergetelijke gebeurtenissen voor even weg.”

Margot Vanderstraeten