De seksuele anjerrevolutie
m betekent letterlijk groene wijn. Die term heeft wereldwijd al voor heel wat misverstanden gezorgd. Want vinho verde is niet, zoals vele mensen denken, een wijn die gemaakt is van druiven die groen en dus onrijp geoogst werden. Het is ook niet altijd een witte wijn; vinho verde kan evengoed een rode kleur hebben. De benaming slaat gewoon op het feit dat het over een jong en sprankelend wijntje gaat, dat best in die gezonde staat gedronken wordt. En ja. Ook dat natuurlijk: het grote wijngebied dat zich in het noordwesten van Portugal uitstrekt en de ene heuvel na de andere bestrijkt, is één groot lappendeken van allerhande schakeringen groen.
Die lappendeken heeft zo zijn geschiedenis. Portugal telt, in tegenstelling tot andere Europese landen, nog veel kleine boeren met kleine stukken grond. Als een boer zijn armen strekt, raakt hij de grenzen van zijn territorium, is een volkswijsheid die aan vele togen en tafels op bijval kan rekenen. In dit noordwesten zul je, naast bacalao, aan elke tafel overigens ook caldo verde aantreffen, een (groene!) soep die gemaakt is van een Galicische koolsoort die in elke moestuin gretig geteeld wordt.
De talrijke kleine velden en gaarden zorgen voor een mooi schouwspel. Het groen met een zilverachtige schijn van de ellenlange eucalyptusbomen loopt over in de diepe kleur van stevige maïsstammen, in de vruchtbare tinten van wijnranken die keurig over latjes gespannen zijn en in het donkergroen van de tientallen kiwistruiken die hier de voorbije jaren aangeplant zijn. Tussen al dat groen kronkelt, met een indrukwekkende, natuurlijke schoonheid,éé n lange, en voor de wijn levensnoodzakelijke, getemde, blauwe strook: de rivier de Douro (spreek uit: doroe). In dit deel van Portugal, in de grootste wijnbouwstreek en groenste vallei van het land, lijkt het droge zuiden heel veraf.
EEN tussenstop in Amarante, de eeuwenoude stad aan de Tamegorivier, is de ideale gelegenheid om ook die andere kant van Portugal te leren kennen. De katholieke kant. Want dat Portugal nog altijd een religieus bastion is, blijkt niet alleen uit de ontelbare kerken en kathedralen, maar ook uit de -- zowel jonge als bejaarde -- drukte eromheen.
In Amarante wordt die drukte met een wel zeer wonderbaarlijk licht beschenen. Onder de kloostergewelven van Amarante rust namelijk een van de voornaamste heiligen van het land, São Gonçalo. Volgens de dertiende-eeuwse legende is deze heilige de succesvolle beschermheer van alle vrouwen. En dan uiteraard vooral van die vrouwen die geen man aan de haak kunnen slaan, of onvruchtbaar zijn. Dat de Portugese dames wel heel tuk op zijn aandacht waren en zijn, heeft het standbeeld van São Gonçalo zelf mogen ervaren. Vroeger stond het open en bloot in de São Gonçalokerk, nu is het veilig afgeschermd. De introverte Portugese vrouwen die zo wanhopig een kind of een man wilden, bleken zich oog in oog met de machtige heilige niet te kunnen beheersen. Ze bekropen het beeld en, naar verluidt, weerklonken er in de middenbeuk meer dan eens eigenaardige kreten die niets met een gebed gemeen hadden. Op het graf van de heilige liggen nu rode anjers. De enige revolutie waar die mee te maken hebben, is de seksuele. Ze komen van vrouwen die op zoek zijn naar vruchtbaarheid. Bovendien helpt de heilige ook mensen van hun wratten af.
Dat de middenstand van Amarante brood zag in São Gonçalo, blijkt alvast bij de bakker. Die verkoopt brood in een wel zeer uitgesproken fallusvorm.
NIET ver van Amarante ligt, in Penafiel, een van de mooiste quinta's van de regio. Een quinta is een landgoed, en die benaming gaat terug naar het feodale tijdperk. Toen werd van boeren geëist dat ze eenvijfde (een quinta) van hun opbrengsten aan de grootgrondbezitters afstonden. Quinta's zijn vaak heel klein, maar de Quinta da Aveleda in Penafiel vormt, met zijn 40 hectare, een grote uitzondering op die regel.
Het idyllisch ogende Quinta da Aveleda is de grootste wijnproducent van de streek. Elk jaar worden hier 12,5 miljoen flessen gebotteld, waaronder de fruitige vinho verde Aveleda Alvarinho (100% alvarinhodruif) en de witte en rode Charamba. Om het centrale, met klimop begroeide landhuis groeit een tropisch park dat in de achttiende eeuw aangelegd werd, en dat ook vandaag nog openstaat voor bezoekers. De dikke kurkeiken zijn even oud als het park, net als sommige eucalyptusbomen en een sequoia. Het spreekt voor zich dat die ingevoerde boomsoorten, evenals de wijnkelders, trappen en stallen van dit landgoed, alles te maken hebben met het ontdekkingsverleden van de Portugezen.
Dat verleden kun je ook in het nabijgelegen Lamego betreden. Lamego is een sympathiek stadje dat 400 meter boven de Douro ligt en prat kan gaan op een autovrije lindenlaan die, aan beide zijden en over de hele lengte, met banken gebiesd is. Bij mooi weer zitten de oudjes hier, onder de linden of onder hun zelf meegebrachte parasol, avondenlang te kaarten of te breien -- te roddelen natuurlijk ook. Kinderen in veel te mooi gestreken pakjes en met witte sokjes aan rennen heen en weer, terwijl de prestigieuze trap van Lamego boven hen uit torent. Volgens de ene gids telt de barokke trap van de Nossa Senhora dos Remédios 650 treden, volgens de andere zijn het er 656, of misschien wel maar 600. Een feit is dat de klim naar boven meer dan de moeite loont. Niet alleen om de azulejo's, het vergezicht en de veertien kapellen van de bedevaartskerk, maar ook omdat die trage, moeizame tocht naar de hemel je toestaat om stil te staan bij het andere verhaal achter dit historisch monument. Want aan de rijkdom en schoonheid van de Nossa Senhora dos Remédios kleeft het bloed, het zweet en het leven van ontelbare zwarte slaven. Gelukkig vloeit er ter plaatse vocht genoeg om elke herinnering aan dat rijke maar ook wrede verleden van Portugal weg te spoelen. Peso Da Regua ligt vlakbij, en in dat stadje begint niet helemaal toevallig het gebied van portwijnen.
