'Verdriet kun je niet sturen'
"Ik wou dat ik kon zeggen dat het me iets kon schelen wat er het afgelopen jaar in de wereld is gebeurd. Ik wou dat ik kon antwoorden zoals vroeger. Dat ik me aan dit en dit heb geërgerd, dat ik oeverloze discussies achter de rug heb over die en die problematiek, dat... Ik wou dat ik me feiten en herinneringen voor de geest kon halen die niets met mijn broer te maken hebben. Maar eerlijk gezegd kan ik dat niet. 2003 heeft voor mij maar één gebeurtenis gekend: de dood van mijn broer. Tweeëntwintig was hij. Hij is met zijn motor verongelukt. Sinds die dag in mei is mijn leven in tweeën gesplitst. Het hoofdstuk voor zijn dood, en dat erna. Hoe het in dat tweede hoofdstuk nu precies verder moet, weet ik dus nog niet. Ik kom er niet uit. Ik weet ook niet of het me zal lukken eruit te komen.
"Voor buitenstaanders is dat soms moeilijk te begrijpen. En met buitenstaanders bedoel ik niet al die mensen die me niet kennen. Neen, ik bedoel al die mensen die niet de dood van een zeer dierbare hebben meegemaakt. Er bestaat een soort verwantschap tussen mensen die hetzelfde diepe verdriet hebben gekend. Met woorden kan ik dat niet uitleggen; het is een gevoel. En natuurlijk ben ik, totdat ik het zelf meemaakte, ook een buitenstaander geweest. Ik heb mensen gekend die een dierbare verloren hebben; ik heb in de mate van het mogelijke met hen meegeleefd, maar nooit en dan ook nooit zou ik toen hebben kunnen begrijpen hoe diep een verlies kan snijden. Dat is totaal veranderd. Als ik nu een ambulance hoor loeien, koppel ik daar gelijk verdriet aan vast. Ik zie meteen de achterblijvers die met massa's vragen blijven worstelen, die met woede zitten, en zich geen blijf weten met dat almaar groter wordende vraagteken: waarom? Of motorrijders. Ik hoef er maar eentje te zien rijden, en ik moet de neiging onderdrukken om hem of haar niet staande te houden, en te zeggen: 'stap maar af, kom maar met mij mee, dat is veel veiliger'. Diezelfde reactie overvalt me ook als ik naar het journaal luister, en verneem dat er, bijvoorbeeld, bij een bomaanslag weer tien doden gevallen zijn. Automatisch koppel ik aan elk slachtoffer de pijn van hun nabestaanden. Omdat ik weet wat het betekent. Omdat ik zelf ervaren heb wat zo'n drama met jou en de mensen rondom je kan aanrichten.
'Mijn broer, Lucas, stond aan het begin van zijn volwassen leven. Hij zat vol energie en nieuwsgierigheid. En in één keer wordt hij voorgoed van de wereld gemaaid. Ik kan geen enkele reden vinden om die dood aanvaardbaar, laat staan zinvol te noemen. Elke verklaring zou ook afbreuk doen aan hem. Aan dat sterven, dat hij toch maar gedaan en gekund heeft. Het enige positieve dat ik misschien uit zijn dood heb gehaald, is het egocentrische gevoel dat ik zelf minder bang geworden ben om dood te gaan. Ik ben nu vooral bang voor de anderen. Angstig dat er nog mensen om me heen zullen doodgaan. Want die confrontatie hebben wij natuurlijk wel gehad. Je hele leven lang denk je dat het alleen anderen kan overkomen, dat je eigen kleine, veilige wereldje zulke drama's bespaard blijft. Totdat je broer er van het ene moment op het andere niet meer is, en hij met zijn definitieve afwezigheid ook gelijk je hele harde schijf wist. Want zo voel ik dat aan. Dat elke vorm van zekerheid volledig is weggevaagd. Voor hij overleed wist ik min of meer wie ik was. Er was een ik. Een ik die droomde, die voelde, die speelde, lachte, enzovoort. Nu ben ik daar niet meer zeker van.
Elke 'ik' is relatief. Alles is relatief. Vanuit dit standpunt relativeer ik ook die godsdienst die televisie heet. Het is niet omdat je op de televisie komt, dat je belangrijker bent dan een ander. Of dat je meer te vertellen zou hebben dan een ander. Mijn verhaal is zeker niet bovengeschikt aan dat van de bakker om de hoek. Alleen registreert u niet het verhaal van de bakker, maar dat van mij, omdat ik een 'bekende Vlaming' ben. Ik wil mezelf niet banaliseren. Ik vind gewoon dat iedereen gelijk is. En bekend of niet bekend, zodra de dood toeslaat, kun je geen enkele afspraak meer maken. Als de dood aan je deur klopt kun je niet roepen: 'hola, even wachten want ik ben bekend'. Of zeggen: 'nog niet, want ik heb geld, ik betaal u'. De dood is definitief en onverbiddelijk, voor iedereen. Daar denk ik nu vaak aan. Over enkele dagen zal iedereen elkaar bijvoorbeeld weer gelukkig nieuwjaar wensen. Ik ook. Ik zal die wens ook uitspreken. Maar niet zonder dat in mijn hoofd de gedachte flitst van: gelukkig nieuwjaar, jawel, maar wie zegt of jij of ik er volgend jaar weer bij zal zijn. Die gedachte spreek ik niet uit. Dat kan hier niet. Dat hoort niet. In deze maatschappij is het bijna ongepast als je je verdriet prijsgeeft. De mensen zijn het niet gewoon, en velen kunnen er ook niet mee omgaan. Dat kun je hen niet eens kwalijk nemen. Iedereen is geïndoctrineerd. Ik net zo goed.
Magazines staan vol van het geweldige gelukkige leven dat we zogezegd leiden. Radio en televisie doen ons geloven dat alles koek en ei is. Alsof verdriet niet bestaat. Alsof zoiets fundamenteels als de dood niet integraal deel uitmaakt van elk leven. Daarom kan ik wel begrijpen dat mensen met een groot verdriet zich terugtrekken, en zich letterlijk afsluiten van de maatschappij. Ik heb niet veel verbeeldingskracht nodig om me voor te stellen dat ze het niet langer kunnen opbrengen om mee te spelen in dat vrolijke circus. De dood is een fundamenteel en zeer concreet gegeven. Ten opzichte van zoiets groots is al de rest banaal.
"Het ongeluk van mijn broer heeft me het belang en ook de kracht van een bloedband nog eens extra doen inzien. Ik kom uit een hechte familie. Kon ook heel goed met Lucas opschieten. Dat was en is thuis altijd zo geweest: we gaan zo eerlijk mogelijk met elkaar om. En we kunnen onszelf zijn. We hoeven niets in te houden; want ja, dat lijkt me verschrikkelijk, dat je zelfs binnen je familie je zwakheid niet kunt tonen. Het helpt dat er gehuild kan worden, door iedereen, op welk moment ook.
'Familie is voor mij iets totaal anders dan vrienden. Familie zal er altijd zijn. Of zal er voorgoed niet meer zijn. Vrienden hebben niet zo'n definitief karakter. Het kan heel grof klinken, maar als je het letterlijk bekijkt, kun je vrienden vervangen. Een broer, een zus, een ouder of een kind niet. Ik weet het niet, maar ik denk dat het specifieke karakter van een samenhangend gezin alles te maken heeft met respect voor al die verschillende individuen die gedwongen worden met elkaar te leven. En erin slagen met elkaar te leven. Vrienden daarentegen kies je zelf, en je kiest die vrienden die aansluiten bij je persoonlijkheid. Bovendien hoeven de vrienden van tien of vijf of één jaar geleden niet dezelfde te zijn als die van vandaag. Alleen familie is levenslang. Door het verlies van mijn broer heb ik trouwens nieuwe vrienden bijgekregen, en andere vrienden verloren. Niet iedereen kan met een immens verdriet om. Allicht ook omdat verdriet om een verlies per definitie hoogstpersoonlijk is.
"Je zult mij niet horen beweren dat het ideale gezin bestaat. Natuurlijk hebben wij ook onze meningsverschillen, en kennen wij ook onze disputen. Maar dat is niet erg, omdat als puntje bij paaltje komt, iedereen toch de eigenheid van de ander respecteert. Niet dat dat vroeger altijd het geval was, hoor. Toen ik een jaar of zestien was, kwamen mijn zus - die één jaar ouder is - en ik niet goed met elkaar overeen, en dan druk ik het zacht uit. Ik was er bijzonder goed in om haar het bloed vanonder de nagels te pesten. Zeer bewust deed ik dat. Ja, ik moet een vreselijke puber geweest zijn. Ik denk zelfs dat we meer dan twee jaar niet met elkaar gesproken hebben, terwijl we wel in hetzelfde huis woonden. En toch is het goed gekomen. Zelfs zo goed dat we het nu uitstekend met elkaar kunnen vinden. Ik denk dat we door haar kinderen weer naar elkaar toe zijn gegroeid. En ook dit: we hebben beiden geleerd elkaars verschillen te aanvaarden, én te waarderen. Het heeft me trouwens verrast in welke ernstige mate een vijfjarig kindje toch met het overlijden van zijn oom kan bezig zijn, en er ook onder lijdt. Onder zijn afwezigheid, maar net zo goed onder zijn verdriet en dat van zijn ouders en grootouders. Tegen de kindjes van mijn zus hebben we gezegd dat Lucas een sterretje geworden is. Op een blauwe maandag, mijn zus zat met hem in de auto, zegt dat ventje: 'Mama, ik weet hoe Lucas weer terug kan komen.'
'Ah ja, hoe dan?', vraagt mijn verbaasde zus. 'Wel, als ik later groot ben. Als ik even groot als jullie ben, dan zal ik wel Lucas worden.' Kinderen willen het leed van hun ouders altijd verzachten. Ik ook. Ik probeer het verdriet van mijn ouders ook te verlichten. Maar eigenlijk gaat dat niet, en dus voel je je machteloos. Want liefst van alles, liefst van alles wil je natuurlijk dat de mensen van wie je houdt min of meer gelukkig zijn. Ik denk dat er maar één manier is om iemand te helpen in zijn/haar verdriet: door hem of haar er de ruimte voor te geven. Door die toestand van verdriet gewoon te aanvaarden. Het is ook niet dat je verdriet kunt sturen. De ene dag gaat het voor de een wat beter dan de ander. Of neem deze feestdagen. Veel mensen denken dat deze dagen sowieso moeilijker of zwaarder zijn dan alle andere. Dat kan, maar het is geen regel. Wie zegt dat het verdriet twee dagen voor nieuwjaar niet zoveel zwaarder zal wegen dan op 1 januari?
"Het voelen van liefde ervaar ik als een troost. Liefde van mijn vriend Peter (van den Begin, MV). Van familieleden. Van vrienden en vriendinnen. Maar toch. Af en toe denk ik dat je van mensen niet te veel steun kunt en mag verwachten. Niemand kan echt met jou mee de dieperik in. Uiteindelijk moet je je eigen strijd leveren.
"Toch, en misschien wel daarom, heb ik dat sterke gevoel om die hechte familieband voort te willen zetten. Ik denk soms aan kinderen. En als we er al niet spontaan aan denken, dan brengen andere mensen me wel op het idee. Rondom ons wordt het ene kind na het andere geboren. En iedereen vraagt ons: 'En? Wanneer mogen we dat van jullie verwachten?' Alleen al daarom zou je de neiging krijgen toch maar even te wachten. We zien wel. Die houding, dat gevoel van 'we zien wel' heb ik trouwens almaar vaker. Ik schijn er de voorkeur aan te geven de dingen op zijn beloop te laten. Al wil ik toch benadrukken dat ik Peter zeker als de vader van mijn kindjes zie. Hij zou een fantastische papa zijn.
"Ik heb graag Belli gespeeld. Het was een fijne periode, maar nu is het tijd voor iets anders. Volgend najaar zal ik samen met Dimitri Leue een voorstelling maken voor Het Paleis. Daar kijk ik naar uit, omdat Dimitri een vriend is, en omdat die samenwerking evengoed inhoudt dat ik nu geen energie hoef te verspillen aan het mezelf inpassen in een nieuwe groep mensen. Daarnaast heb ik mijn agenda bewust zogoed als leeg gehouden. Met andere woorden: er is plaats om muziek te maken. Alleen heb ik geen flauw idee van wanneer ik die muziek zal durven uitvoeren. 'Durven' is het juiste woord. Ik moet bekennen dat ik op dit moment, zeven en een halve maand na het ongeluk, nog altijd bang ben voor de confrontatie met mezelf. Om niet te zeggen dat ik veel liever vijf blokken om zou lopen dan mezelf tegen te komen.
"De aanzet voor een nieuwe groep is gelukkig al gegeven. Ik heb een uitstekende drumster en een bassiste gevonden. En als die er nog eens een goede gitariste bijkrijgen, kunnen we beginnen. Ik zou graag met vrouwen werken, inderdaad. Niet vanuit een feministische overtuiging, helemaal niet zelfs. Ik gruw van zogenaamde girlpower-toestanden. Het is eerder een soort nieuwsgierigheid die me die richting uitstuurt. Ik ben benieuwd naar de chemie tussen vier vrouwen. Want hoe je het ook wendt of keert: in het theater, in de muziekwereld en in het televisielandschap tref je, zeker in sleutelfuncties, voornamelijk mannen aan. En misschien wil ik ook wel iets aantonen: dat het onzin is dat vrouwen onder elkaar alleen maar venijn kunnen spugen. Ach weet je. In essentie maakt het me helemaal niet uit of ik nu met mannelijke of vrouwelijke muzikanten werk. Ik voel mezelf trouwens even mannelijk als vrouwelijk. In wezen moeten de mensen met wie ik samenwerk vooral goede muzikanten en fijne mensen zijn.
'Over het muziekgenre wil ik liever nog niet veel kwijt. Niet omdat ik nog niet weet welke muziek we willen maken, maar wel omdat ik onze nieuwe groep niet al van te voren een beperking wil opleggen. En vanaf het moment dat je muziek in een hokje plaatst, doe je dat. Ik wil niet ingaan op die hokjesmentaliteit waaraan de buitenwereld zo sterk behoefte heeft. Ik wil openstaan voor wat zal komen. En ik hoop voor mezelf dat ik snel aan de slag zal gaan. Thuis staat een piano, maar ik durf er nog niet aan te gaan zitten. Spelen gaat nog. Maar zingen. Mijn stem hangt vast aan mijn lijf. Ik kan die twee niet scheiden. En als ik zing gaat dat zo diep. Daar ben ik bang voor. Voor wat er dan allemaal kan uitkomen. Want ik krop natuurlijk veel op. Het is heel dubbelzinnig. Aan de ene kant weet ik dat het me deugd zou doen als ik mezelf en mijn gevoelens zou uitdrukken. Aan de andere kant krijg ik het al doodsbenauwd van die gedachte alleen. Als ik weer ga zingen, maak ik mezelf droeviger dan ik al ben. En dat wil ik op dit moment niet.
Het lijkt me het beste dat ik voorlopig vooral zo lief mogelijk voor mezelf probeer te zijn. In dat plaatje hoort op dit moment nog geen opgelegde ijzeren discipline thuis. En toch. Toch weet ik dat ik behoefte heb aan het uiten van die melancholie die ik in me heb. Alleen wil ik die melancholie niet stimuleren. Weet je. Ik heb nooit liedjes in majeur kunnen schrijven. Als ik schrijf, is het in mineur. Dat zijn technische termen, ik weet het. Maar kort en bondig komt het hierop neer: liedjes in majeur - de meeste popsongs - klinken meestal een stuk vrolijker dan liedjes in mineur. Van nummers in mineur gaat altijd een zekere tristesse uit. Wat dan weer niet wil zeggen dat ik alles wat vrolijk is oppervlakkig vind. Absoluut niet. Ik treed regelmatig op met Tattoo del Tigre. Dat is een schitterende, hartverwarmende ervaring, omdat het een groep vrienden is, en omdat de muziek je sowieso in een goed humeur brengt. De intensiteit waarmee we deze muziek maken is beslist evenwaardig aan die van de eigen nummers die ik maak. Het grote verschil schuilt hierin: liedjes die je zelf geschreven en gemaakt hebt, wonen heel diep in je. Ze gaan veel verder. Haken vast in je fundamenten. En kunnen die bijgevolg aan het wankelen brengen. Dat wil ik nu niet voelen. Misschien vlucht ik liever weg van mezelf. Voor Lucas verongelukte had ik bijvoorbeeld steevast het plan opgevat om alleen op reis te gaan. En dan geen drie dagen, neen, ik wilde heel graag een lange reis maken met maar één kompaan: mezelf. Zo'n wekenlange uitstap met jezelf is nooit vanzelfsprekend, en ik heb die mensen die dat al wel gedaan hebben, altijd bewonderd. Maar wat ik een jaar geleden wilde, wil ik nu in de verste verte niet meer. Ik moet er niet aan denken nu ergens wat alleen te gaan zitten zijn.
"En ja. Dat heeft het overlijden van mijn broer ook wel in me losgemaakt. Dat ik spijt heb dat ik hem niet gewoon eens gezegd heb hoe graag ik hem zie. Dat ik hem niet heb laten weten hoe trots ik op hem was. Ik kan van hieruit alleen maar hopen dat hij dat aangevoeld heeft. Het is een constatering die me aan het denken heeft gezet. Blijkbaar is het gemakkelijker om iemand op zijn donder te geven, dan om iemand recht uit het hart te zeggen dat je hem of haar graag ziet. En met die iemand verwijs ik uiteraard niet naar je lief, want dat je die je gevoelens meedeelt is vanzelfsprekend. Ik probeer mensen nu vlugger vast te pakken. Ik wil ze laten weten wat ze voor me betekenen. Het is voor mij nu overduidelijk geworden: dat het in het leven minder erg is spijt te hebben van de dingen die je hebt gedaan, dan van de dingen die je niet hebt gedaan."
