Vrijdag 16 juli 2010
Het zou mooi zijn als ze voortaan, net zoals in de dagen voor Ann en Eefje, onbezwaard met de duim in de lucht of het plakkaat in de hand aan de oprit van de autosnelweg zouden staan.
Invalswegen die met lifters worden omzoomd, zijn sympathiek. Bovendien is, met dank aan de NMBS, de kans groot dat je sneller op je bestemming aankomt dan wanneer je de trein neemt.
Zo durft 'men', de jeugdbeweging, vandaag weer aanbellen aan huizen met het verzoek voor een maaltijd. Of met de vraag om een droge boterham te ruilen voor iets anders. Voor iets zoets, als dat kan.
Ik had deze week eerst twee meisjes aan de deur. In uniform, en met het gegiechel dat daar deel van uitmaakt.
Ze hadden de opdracht om hun lunch te vergaren. Ze konden die etenswaren meenemen, take-away, zei eentje. Maar het was ook goed en giechel, giechel nog beter, als ze mochten binnenkomen. Als ik hen aan mijn tafel zou laten schransen. Ze hadden van de leiding een uur de tijd gekregen, en de rest van de groep, zeiden ze, was verderop in de wijk actief.
Deze zin was nog niet goed en wel uitgesproken, of op de hoek van de straat doken, gierend van het lachen, enkele van hun groepsrestanten op. Dat er aan hun huizen niemand opendeed. Dat iedereen blijkbaar met vakantie was. En of ik ook hun magen niet een tikkeltje kon vullen?
Die namiddag zat ik drie uur lang met zes meisjes en hun leidster aan tafel. Koelkast en voorraadkast zijn geplunderd, maar mijn energie is voor lange tijd weer opgeladen.
