Maandag 17 mei 2010
Meestal bevat dit scenario uitlatingen over de uiterlijke staat: bijna altijd ben je nog net dezelfde als vroeger; een gelijkaardige opmerking geef je ook aan de ander, dat die precies helemaal niet veranderd is - zelfs al kan je je niet meer herinneren hoe die klasgenoot er vroeger uitzag en besef je dat deze woorden niet altijd als een onverdeeld compliment aankomen: wie wil er twintig jaar later nog hetzelfde uitzien als twintig jaar eerder.
Uit beleefdheid, en omdat er stiltes dreigen te vallen, doe je er nog een schepje bovenop en je complimenteert de ander en je zegt dat die er goed uitziet.
Zo kijk je ook. Goedkeurend.
Alleen is die blik slechts schijn. En de schijn is wederzijds. In werkelijkheid benutten jullie allebei deze gelegenheid om de ander in zich op te nemen.
En terwijl je dat doet, vraag je je af of je er zelf ook al zo oud uitziet, en zo kijk je later die dag ook in de spiegel en in de etalageramen: jezelf inspecterend, op zoek naar de sporen die twintig jaar leven hebben getrokken, scharrelend naar dat vonkje jeugd.
Bij het afscheid wordt er gezwaaid, er volgen vage beloftes van een spoedig, nieuw contact.
Je weet alle twee dat jullie jezelf en de ander voorliegen. Dat er meer distantie dan nabijheid is.
Op weg naar huis vraag je je af hoezeer het leven dat je nu leidt, verwijderd is van de dromen die je destijds koesterde.
Destijds is niet eens zo heel lang geleden.
