Woensdag 24 maart 2010
Toch blijkt spoedig dat het meisje, zes jaar en frêle voor haar
leeftijd, de scherpste geest en het vinnigste karakter heeft. Ze ziet
álles. Beter nog: nu al wekt ze de indruk meer te zien dan datgene wat
zich voor haar ogen afspeelt.
Het eerste half uur draait hun spel om lopers, torens en paarden; en
om de koning en de koningin. Tijdens dat half uur vinden de slagen,
aanvallen en verdedigingsacties ook in de vierenzestig velden plaats.
Maar geleidelijk aan verplaatst de strijd zich. Van de tegenstander
op het bord naar de tegenstander op de stoel.
De jongen voelt zich bedreigd door de vermetele, strategische zetten
van zijn zusje, die aan de winnende hand is.
Het spel is nog niet afgelopen, er is nog veel mogelijk, maar dat
ziet de jongen niet meer, hij ziet alleen maar klaar en duidelijk dat
hij op een nederlaag afstevent.
Hij begint op zijn stoel te wiebelen. Zijn zetten worden nerveuzer.
Hij verliest zijn concentratie op het spel, maakt domme zetkeuzes en
beseft dat. Dat inzicht in zijn eigen handelingen maakt hem nog bozer.
Nog nerveuzer.
Hij verwijt zijn zus vals te spelen. Balt zijn vuist. Slaat op haar
onderarm.
Brullend verzint hij nieuwe regels. Hij slaat de vijand waar hij hem
niet mag slaan. Vergeefs.
Als hij ook via deze ingrepen kansloos blijft, veegt hij met één
nijdige armbeweging alle schaakstukken van het bord.
Ik weet het. Het is ver gezocht en het slaat helemaal nergens op.
Maar toch doemden, toen ik naar dit spel keek, de gezichten van Nicolas
Sarkozy en Ségolène Royal voor me op.
