Maandag 8 februari 2010

PrintPrintemailemail
Filosoof
Filosoof
Het jongetje is tot in het midden van de lange tafel gekropen. Daar heeft het zich languit naast de vaas geposteerd; zijn ellebogen steunend op het tafelblad, zijn hoofdje rustend in zijn opengevouwen handpalmen. Hij heeft zijn pyjama al aan. Lichtblauw flanel vol gele zeilbootjes.

De ogen van de jongen laten de buik van de vaas niet los. Die vaas is
van doorzichtig glas, er staat een bos witte tulpen in.

De tulpen hebben hun beste tijd gehad. De helft van de bloemblaadjes
ligt op het tafelkleed, de meeste steeltjes buigen door of zijn geknakt.
In feite staat daar een boeket verwelkte stampers en meeldraden;
restanten van de vitale schoonheid die ooit is geweest. Een enkele
zucht, en de jongen zou nog meer illusies kunnen wegblazen.

Maar die ontwikkeling ziet hij nog niet. Verleden en sterfelijkheid
zijn iets voor later. Alles aan hem is toekomst, en dus ook hoop.

Hij is op de tafel gekropen omdat hij van naderbij wil zien hoe
bloemen water drinken. Want, zo zegt de prille natuurkundige, gisteren
was die vaas nog bijna vol, en vandaag is dat reservoir al halfleeg, dus
kan het niet anders of de bloemen zijn gulzig, en als mensen gulzig
zijn, kun je dat zien aan hun volle mond, dus als bloemen gulzig zijn,
moet hij dat ook kunnen waarnemen.

Terwijl hij zichzelf hoort praten, worden er nieuwe ideeën geboren.

Want als papa en mama veel wijn drinken, worden ze dronken, en soms
ook goed geluimd, maar niet altijd, en vooral mama heeft de volgende
ochtend hoofdpijn. Dus wat zou er met de tulpen gebeuren, als mama wijn
in de vaas zou gieten? Worden die tulpen dan dronken? Hoe weten wij zo
zeker dat de geknakte bloemen geen hoofdpijn hebben?

En wij kunnen wel overtuigd zeggen van niet. Dan kunnen we onze
stelling zeker ook bewijzen. Neen?

Tja, dan zal hij alles zelf proefondervindelijk moeten ervaren. En
dan vinden wij het zeker goed dat hij pas gaat slapen als hij gezien
heeft hoe de tulpen de hele vaas leeg zuigen?

Inhoud syndiceren