Vrijdag 18 december 2009

PrintPrintemailemail
Noah
Noah
Noah kan niet blijven zitten. Telkens zijn moeder hem weer op de stoel zet, glipt hij ervan af. De stoel is voor hem nog te groot om er in een keer af te glijden. Daarom draait hij zich eerst om, met het gezichtje naar de leuning. Zo, met de handen om de zitting geklemd, schuift hij voorzichtig naar beneden; tot zijn voetjes de grond raken en hij met glinsterende oogjes weer aan zijn volgende wandeling kan beginnen.

Het jongetje heeft de vreugde van het stappen juist ontdekt. Bij elke
stap die hij zet, lijkt hij verbaasd over zijn eigen kunnen. Daarom
stapt hij maar door. Omdat hij zichzelf niet kan geloven.

Hij lijkt een kleine robot. Zo'n blikken soldaatje dat beweegt als je
het opdraait. Zonder de knieƫn te buigen en met zowel angst als
avontuur in de blik; voorwaarts mars.

Hij legt altijd dezelfde route af. Van de keuken naar woonkamer, en
weer terug. Eindeloos veel keren na elkaar. Hij wordt dat parcours niet
beu. Hij zou hier een hele dag baantjes kunnen trekken. Het is hem niet
om de omgeving te doen. Maar om zijn lichaam dat hij blijkbaar in
beweging kan zetten.

Als hij stapt, ploffen zijn schoenen op de vloer. Hij vindt dat
geplof wel aantrekkelijk. Hij zou wel eens willen zien waar het vandaan
komt. Maar dat lukt niet. Het kan nog niet naar zijn schoenen te kijken
terwijl hij stapt. Hij valt: niets aan de hand; de afstand tussen hem de
de grond is nog heel klein. Hij krabbelt snel weer recht. Hij kan nog
maar een ding tegelijk. Ook die wetenschap is een ontdekking.

Tijdens zijn reis om zijn wereld houdt hij zijn moeder voortdurend in
de gaten.

Vooral als hij een vlekkeloos parcours aflegt, zoeken zijn ogen die
van haar, en vraagt hij met oprechte trots om applaus of erkenning.

De blik die dan op zijn gezicht staat, is even zuiver als zijn eerste
voetstapjes. Ook zijn hartje kent, gelukkig, de diepte van de val nog
niet.

Inhoud syndiceren