Fragment uit 'De vertraging'

Gepubliceerd op 01/12/2008
PrintPrintemailemail
Over een paar jaar word ik vijftig. Ik heb niet lang meer. Ik weet wanneer het allemaal begint. De aftakeling. Praat me er niet over. Over al die kwalen die in boekjes, wachtkamers en kabinetten simpelweg ouderdomsverschijnselen heten. Ouderdomsverschijnselen klinken abstract. Terwijl niets zo concreet is als die vingers die niet meer recht kunnen omdat het ongedierte dat artritis heet, ze heeft aangetast. Niets is zo lichamelijk als die botten die geen andere keuze meer hebben dan de hele dag stil te zitten, omdat ze breken bij de minste beweging, en omdat het lichaam toch geen eigen stoffen meer aanmaakt om ze te herstellen.

Niets is zo vleselijk als al die knobbels die er met de jaren aan- en ingroeien. En denkt u nu echt, dokter, dat het een verschijnsel is, dat moetje niet meer weet dat ze die spier niet nu maar pas straks, op de pot, moet ontsluiten? Verschijnselen spuiten geen pus. Ze braken geen gal, pissen geen stenen, maken geen luiers nat en krijsen het huis niet bijeen omdat ze menen dat er iemand met hun spaarcenten gaan lopen is; of omdat ze denken dat er gif in de soep zit. En het eerste verschijnsel dat aan tafel luide winden laat, moet ik nog tegenkomen. Een verschijnsel zegt u? Dat koor van langgerekte boeren waarvan er sommige in enkele seconden tijd alle toonaarden halen?

Ik ken ze allemaal. Ik kan ze uittekenen. De zichtbare en onzichtbare kwalen vaneen lang en stoffelijk bestaan. Dat is het voordeel van in een bejaardentehuis geboren te worden, en er pakweg vijftig jaar te blijven hangen. Ik ken de gemene streken die de tijd kan uithalen. En dan heb ik het niet alleen over rimpels, of over uitgedroogd, tot vlies verworden vel. En ook niet uitsluitend over kale hoofden, tot strepen verworden lippen, trillende ledematen of een concentratie die er nog erger aan toe is dan al die verkalkte aderen. Ik heb het vooral over alle onderliggende lagen van het bejaarde menselijk lichaam.

Delen Delen

Inhoud syndiceren