Eerbetoon aan Martin Bril
Ik denk dat het ongeveer een half jaar geleden is dat we voor het laatst samen in Café Hopper hebben gedronken, en daarna in Dôme sur Mer, aan de toog, hebben gegeten. Hij vond de gebakken sardientjes schitterend en zo eenvoudig. Dat weet ik nog goed. Elly en Dick Gubbels, voormalig uitgever van Veen, waren er die avond ook bij. Martin noemde zijn uitgeversvriend met grote vanzelfsprekendheid Ome Dick. Martin kon op subtiele, haast verlegen wijze zeer gul zijn in de liefde en de vriendschap. Zo hield hij, die in Nederland als columnist van de Volkskrant grote nationale bekendheid genoot, heel erg van België. Van Vlaanderen en Wallonië. "Ik wil mijn actieradius vergroten", liet hij niet lang geleden nog weten, "ik wil voortaan evengoed over Vlaanderen schrijven als over Nederland." Maar dat was buiten zijn ziekte gerekend.
Als er een kenmerk is dat Bril en zijn pen ten voeten uit typeert, is dat hetzelfde als de gebakken sardientjes: ze schitteren in hun bedrieglijke eenvoud. Niemand kon de ogenschijnlijke oppervlakkigheid zo diepgravend en ook zo warmhartig observeren en beschrijven als hij. Hij was een grootmeester van het detail. Hij kleedde het detail uit. Hij tilde het kleine op en maakte er iets groot van. Dat is niet gemakkelijk. Dat is zelfs aartsmoeilijk. Bril, die erg belezen was, en zich in zijn belezenheid een fervent aanhanger van de droge, Amerikaanse literatuur toonde, hield van de naakte taal. Van trefzekere woorden. Van korte zinnen en veel ritme. Hoe minder liflafjes, hoe beter. Hoe verder hij inzoomde op het leven van alle dag, hoe groter en wonderlijker de bijzonderheid van die alledaagsheid werd.
Het is niet toevallig acht jaar geleden dat ik Martin voor het eerst heb ontmoet. Acht jaar geleden verscheen mijn debuutroman. Ik heb Martin toen gevraagd om als gastspreker aan te treden bij de presentatie van mijn boek. Dat verzoek, waarop hij welgeluimd inging, was evenmin toeval. Bril heeft me leren kijken. Bril heeft me geleerd om de taal zo zuiver mogelijk te laten klinken. Misschien heeft hij me, via dat geschreven woord, zelfs meer van de mensheid leren houden. Ik besefte dat ik deze krant en Martin Bril schatplichtig was. Ik voelde een grote dankbaarheid voor wat Martin Bril me, zonder dat hij het wist, gegeven had. Ik besefte zijn rol in mijn schrijverschap en wilde hem daar deel van laten uitmaken. Want jawel, tientallen, misschien wel honderden zaterdagen aan een stuk heb ik Brils columns die in deze krant verschenen niet alleen met grote gretigheid gelezen maar ze, aan de ontbijttafel, ook op dezelfde gulzige wijze ontleed. Altijd hield ik een fluorescerende pen in de aanslag. En altijd onderstreepte ik die observaties die ik scherp en treffend vond. Ik omcirkelde de woorden die zo simpel en zo juist waren, en die ik daarom geniaal vond. Ik heb ontzettend veel van Bril geleerd. Later, tijdens onze ontmoetingen, lanceerde hij geregeld zijn favoriete uitdrukking om aan te geven dat heldere, eenvoudige formuleringen vaak meer vakmanschap vergen dan wollige bombarie: "I did not have time to write you a short letter, so I wrote you a long one", lachte hij.
Napoleon, zijn favoriete keizer, was letterlijk een kleine man die zich over grote wereldzaken boog. Martin was letterlijk een grote man die zich, op grootse wijze, over kleine wereldzaken boog. Er bestaat niet iets als troost. Wel zijn er mensen en gebeurtenissen en woorden en daden die verzachtend kunnen zijn. Ik denk dat zijn vrouw en zijn twee dochters, dat zijn lezers, dat heel Nederland, en ook Martin daarboven, op een meer Brilachtige manier kan rouwen als hij op Koninginnedag begraven wordt. Rokjesdag, de term werd door Bril uitgevonden en duidt op de eerste dag van het jaar waarop de blote benen dankzij de voorjaarszon weer zichtbaar worden, is al voorbij, maar de kans dat er op 30 april zomerjurken opwaaien is behoorlijk reëel, en ik wed dat hij ook zijn nieuwe lezerspubliek daarboven een blik in zijn observatievermogen gunt.
