Kunstschilder Roger Raveel (87) ... Dat is het, nietwaar, die spanning tussen sterfelijk en onsterfelijk

PrintPrintemailemail
Zowel het huis als het atelier van Roger Raveel baadt in het licht, zelfs als het, zoals vandaag, buiten grijs is en de regen tegen de enorme ramen striemt. Aanbellen en binnenkomen krijgt meteen een symbolische lading: in de inkomhal, vlak voorbij de drempel, loop je recht tegen het scheppingsverhaal aan.

Genesis (1969) is de naam van
dit werk, dat door de kunstenaar meermaals "een van zijn beste" wordt
genoemd en dat bestaat uit 33 kleurenlithografieën en evenveel
gedichten, door zijn goede vriend Hugo Claus geschreven. De 33
dubbelzijdige panelen hangen in een waaier van glazen mappen tegen de
muur, als een hoogstpersoonlijk picturaal en verbaal universum dat,
zoals een boek, naar believen open- en weer dichtgeklapt kan worden.
Als God, aldus evangelist Johannes, de aarde en de hemel schiep, dan
creëerde Roger Raveel zijn eigen, nooit eentonige, kleurrijke wereld.

Toch is niet alles in Raveels wereld verbeelding. In de tuin, achter de
bloeiende forsythia, stroomt de Leie van zijn Machelen bij Gent. "Ik
ben met de Leie opgegroeid. Mijn vader was een vlaskenner. Hij trok
naar Frankrijk om er grote partijen vlas te kopen. Dat vlas moest
rotten. Het werd samengepakt in dikke bundels die met behulp van
stevige balken in grote bakken in de rivier werden gelaten. De Leie van
mijn jeugd stonk. Later hebben ze 'rotterijen' gebouwd. Ook die werkten
op water van de Leie, dat verwarmd werd om het rottingsproces te
versnellen. Je ziet hier in de omgeving nog schoor- stenen uit die
periode staan. Overblijfselen van wat ooit is geweest."

In een ligstoel aan een van de ramen met zicht op de tuin rust die
andere zekerheid in zijn bestaan, Zulma. De 96-jarige echtgenote van de
kunstenaar die van de zomer zijn 88ste verjaardag viert, heeft een
cruciale rol in het leven en de wereld van Raveel gespeeld, en ook
vandaag zijn ze aan elkaars aanwezigheid verknocht. "Ouderdom, de tijd
die voorbijgaat, eist helaas ook bij haar zijn tol. Zulma lijdt aan
dementie. Gelukkig wordt ze door verpleegsters aan huis goed verzorgd.
En ik probeer mijn best te doen. Laatst zei iemand me: 'Roger, ik heb
een immense bewondering voor u. Nee, nee, niet alleen voor u als
schilder', vervolgde ze, 'ook voor u als mens. Wat u allemaal voor uw
vrouw doet.' Maar Zulma heeft voor mij zoveel gedaan en betekend. Ze
heeft mijn zieke moeder dag en nacht bijgestaan. En toen mijn vader
stervende was, in 1973, nam hij haar hand vast, en bedankte haar. Dat
zijn diepe momenten die je beleeft. En die je voorgoed vasthoudt." In
diezelfde binnentuin staat, op een zwart vierkant, ook een wit
geschilderde betonnen paal. Wie het werk van de kunstenaar kent, weet
dat deze motieven (palen en vierkanten) sinds de jaren vijftig eveneens
een zekerheid in zijn wereld vormen.

"Kom", zegt Roger Raveel, "we gaan in mijn atelier zitten. Neen, niet
aan deze tafel. Aan die andere. Ik kan me beter buiten het gezichtveld
van Zulma bevinden. Als ze me ziet, roept ze me. Wil ze dat ik naar
haar toekom. Of dat ik met haar 'een wandelingetje met de auto' ga
maken. Rondjes rijdend is ze altijd tevreden. Ze kent geen namen meer.
Ze weet niet meer wie wie is. En toch blijft ze ongelooflijk, want op
compleet onverwachte momenten geeft ze blijk van inzicht en alertheid.
Neem een tijdje geleden. We waren op bezoek bij een vriend. Een
leeftijdgenoot, een man even jong als ik. Hij kon niet meer lopen
zonder krukken. Ze herkende de man niet meer. Maar ze merkte zijn
krukken op. En ze zegt: 'Allez, den dienen is ook ne sukkelaar
geworden.' Zeer merkwaardig, die momentane, visuele helderheid.

"Tja. Wat u me nu vraagt... Of ik begrijp dat Claus, die met dezelfde
ziekte kampte, voor zijn dood gekozen heeft? Hugo was zich zeer sterk
bewust van zijn toestand en wilde zijn hersenziekte in geen geval tot
aan het eind beleven. Ja dus, vanuit zijn situatie begrijp ik zijn
keuze. Maar ik betreur zijn dood. Ik ben niet naar zijn begrafenis
gegaan. Niet omdat ik ziek was. Maar omdat ik er ziek van zou zijn
geworden. Ik kon het niet aan. Te veel, begrijpt u. Ik heb Veerle,
Hugo's echtgenote, gebeld. Ze begreep me. Ik prijs me gelukkig dat ik
nog leef. Maar het doet veel pijn te beseffen dat mijn goede vrienden,
zoals Claus, of de kunstschilders Jan Burssens en Etienne Elias, er
vandaag niet meer zijn.

"Mijn vrienden waren sterke mannen. Het is feitelijk vreemd dat ik hen
overleef. Ik was al van jongs af zwak en ziekelijk, en die lichamelijke
fragiliteit, die blijkbaar ook een sterkte is, kenmerkt me nog altijd.
Al ben ik toch gezonder dan ik denk, ik zeg het niet graag, ik wil er
ook liever niet over praten, maar het gebeurt almaar meer dat ik 's
nachts, soms diverse malen, de dokter laat komen, omdat ik bang ben dat
er ergens iets loos is. Een vorm van hypochondrie, veroorzaakt door de
onuitstaanbare wetenschap dat mijn einde elk jaar dichterbij komt.
Gelukkig zegt de dokter dat ik tot zijn gezondste patiënten behoor.
(lacht) Maar het is zoals het is: in de tentoonstelling De wereld rond
Raveel in het Vlaams Parlement wordt meer dan zestig jaar
kunstenaarschap verslagen. Uit mijn werken kun je aflezen dat ik een
grote, veelzijdige en moeilijk te categoriseren kunstenaar ben. En
tegelijkertijd moet je er wel uit afleiden dat ik al lang heb geleefd.

"Ik had nooit het fysieke gestel van mijn vrienden. Van kindsbeen zit
ik met een hardnekkige, chronische bronchitis opgezadeld; tot op
vandaag hoest ik nog geregeld bloed en slijmen. Die gebrekkige
gezondheid heb ik aan mijn vroeg ontluikende visuele aanleg te danken.
Op mijn derde hing ik als knaapje boven een grote kuip water. Ik was
geboeid door mijn gezichtje dat daarin verscheen en door alles wat in
het wateroppervlak weerspiegelde. Ik wilde dat oppervlak van dichterbij
zien. En ik wilde dat beeld in beweging brengen. Zo ben ik, gedreven
door nieuwsgierigheid, in de kuip getuimeld. Mijn buurvouw heeft me
eruit gehaald. Ze heeft haar man geroepen, mijn moeder stond een heel
eind verderop de was uit te hangen, en die heeft me meteen bij de
voeten gepakt en ondersteboven gehouden. Ik was buiten bewustzijn. Ik
werd kunstmatig beademd. Ik spuugde het water uit mijn longen. Maar de
bronchitis is nooit meer weggegaan. Omstreeks het midden van de jaren
twintig waren er immers nog geen antibiotica. Ik moest allerhande
siropen slikken. En ik heb lang en vaak met koorts in bed gelegen. De
daaropvolgende jaren heeft mijn moeder met mij allerhande artsen en
specialisten afgedweild. We gingen daarvoor naar Gent. In een van die
artsenkabinetten hing een schilderij dat me enorm boeide. Ik bleef er
maar naar kijken, zodat mijn moeder besloot om me na afloop van het
medisch onderzoek mee naar een galerij in Gent te nemen.

Het licht gezien

"Mijn moeder, Bertha Van Lancker, was een intelligente vrouw met van
nature een revolutionaire geest. Ik mocht van haar ook alles lezen,
inclusief de verboden boeken, en in mijn jonge jaren (de jaren dertig,
mvds) waren vele boeken verboden. 'Zeg Bertha, mag hij dat lezen?',
vroeg de bakkerin die op een dag bij ons binnenkwam, en zag dat ik in
Steinbeck las. 'Ja', zei mijn moeder, 'hij mag dat.' Mijn vader was
trouwens ook een man met een onafhankelijke, dwarse, en vaak ironische
kijk op het leven. Hij relativeerde alles. Ook zichzelf. Bovendien had
hij de spirit van een uitvinder. Hij kluste graag en was creatief in de
oplossingen die hij bedacht.

"Mijn ouders waren katholiek maar niet kleingeestig. Ik ben niet
gelovig. Maar ik haat de kerk evenmin. Dankzij de kerk beschikt het
Westen over prachtige kunstwerken en dankzij het geloof hebben vele
mensen ook geleerd om 'intenser' te voelen. Ik vind dat een verdienste
op zich. Ik heb begin jaren negentig in de kapel
Maria-Hulp-der-Christenen hier in het dorp muurschilderingen gemaakt,
getiteld De religie van het leven. Een prachtig project. Van enige
onderdrukking of censuur vanuit de kerk was geen sprake; ik heb er
zelfs, tot vreugde van meerdere kapelgangers en bezoekers, een vrijend
koppel geportretteerd.

"Maar uiteraard ben ik mijn ouders dankbaar dat ik al van mijn twaalfde
naar de Stedelijke Academie van Deinze mocht en dat ze me daarna,
aangemoedigd door mijn mentor in Deinze (Hubert Malfait, mvds) naar de
Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent hebben gestuurd,
terwijl het katholieke Sint-Lucasinstituut misschien meer voor de hand
had gelegen. Die eerste kunstgalerij die ik samen met mijn moeder
bezocht, heeft trouwens een grote invloed op me gehad. De galerij lag
in de Korte Dagsteeg, ik herinner het me nog goed. Er hingen
expressionisten. En ik, die toen een prille tiener was, zag daar plots
het licht. Ik realiseerde me: kunst is niet de letterlijke weergave van
de werkelijkheid. Even later verbood Hitler de expressionisten."

Het atelier van Roger Raveel is via de binnentuin bereikbaar en bevindt
zich in een hoge, voormalige vlasschuur aan de zijkant van zijn woning.
Twee witgekalkte wanden van het atelier zijn bedekt met krachtige
werken van de meester, de doeken staan op schildersezels waaronder
wielen zijn bevestigd. De andere wanden zijn met boeken gevuld. Ook in
het atelier valt de rijkelijke lichtinval meteen op. Er is het sterke
gevoel voor ruimte. En de orde springt in het oog. Op een tafel staan,
keurig in het gelid, tientallen glazen confituurpotjes van hetzelfde
merk (granoVita). Ze zijn gevuld met verf die de meester zelf, in alle
mogelijke toonaarden, heeft gemengd.

"Ik maak mijn kleuren. Die verf doet me trouwens aan een anekdote
denken die misschien interessant is voor u om op te schrijven. Toen ik
jong was, ging ik met Zulma en enkele vrienden geregeld kamperen in
Bredene. Op een dag, dat was in 1945, heb ik samen met mijn vriend
Marcel Ysewijn de tram naar Oostende genomen om James Ensor te
bezoeken. Ensor, die ik als jonge kunstenaar al zeer bewonderde, moet
toen ongeveer zo jong zijn geweest als ik vandaag. Hij zat op een soort
verhoog aan het raam. Ik zei: 'Meester, daar zit u goed.' En hij
antwoordde: 'Ja, ik zit hier graag. Zeker in de zomer, als alle
vrouwenrokken omhoog waaien.'

"Maar dat is niet wat ik u wilde vertellen. Tijdens dat bezoek leidde
Ensor ons naar een van zijn werken. Hij vroeg: 'En, wat vinden jullie
daarvan?' Wij waren diep onder de indruk. Hij vroeg: 'Weet je hoe ik
dat heb geschilderd?' Waarop wij, schoorvoetend, antwoordden: 'U zult
wel heel veel tekeningen en schetsen hebben gemaakt om dit voor elkaar
te krijgen.' 'Och jongens', repliceerde James Ensor laconiek, 'het is
allemaal zo simpel. Op een dag zei de leverancier van mijn verven me:
'Meester Ensor, nu heb ik heel goede verf voor u bij, maak daar eens
een meesterwerk van.' Awel. Dat is precies wat ik heb gedaan.' Het werk
waarmee wij oog in oog stonden, was l'Entrée du Christ. Zijn
meesterwerk. In 1898 geschilderd."

"Ik heb me lang de meest miskende schilder van Vlaanderen gevoeld. Ik
word nog altijd onvoldoende erkend, al moet ik zeggen dat er de laatste
tijd een en ander is veranderd. De waardering wordt wakker. Maar, en
dat dien ik te benadrukken, Vlaanderen zag me pas staan nadat in
Nederland elk museum al lang verscheidene werken van me had gekocht.
Onze noorderburen hadden me veel sneller in de gaten en waardeerden me
veel vroeger. In mijn sterke gevoel van miskenning speelt de mening van
Claus natuurlijk ook een rol. Hugo heeft me altijd in de oren geknoopt:
'Roger, je moet naar Amerika trekken, hier in Vlaanderen zullen ze je
nooit begrijpen, maar daar, aan de andere kant van de oceaan zal je
genie worden erkend.' Hugo meende wat hij zei. Maar ik dacht: of ik nu
naar Frankrijk trok, of naar Amerika of Brazilië, ik zou, net als hier
in Vlaanderen, op een dag doodgaan. Dat is het, nietwaar: die spanning
tussen sterfelijk en onsterfelijk. Die zekerheid dat je, ondanks de
grootte van je werk, op een dag, hier of ginder, hoe dan ook sterft.

verticaal en schuin

"Ik ben in mijn geboortedorp Machelen-aan-de-Leie gebleven. Ik heb mijn
kleine wereld naar de universaliteit opgetild. Ja, sommigen
interpreteren die woorden als grootspraak, maar ik heb mezelf altijd
een groot schilder gevonden, en ik ben ervan overtuigd dat Raveel zal
blijven bestaan. Zelfs nu we ons in een tijdperk bevinden waarin de
taal vooral digitaal of conceptueel geworden is. Ik geloof niet dat de
schilderstaal ooit zal verdwijnen. Ik heb zelfs de indruk dat jonge
kunstenaars er weer naar teruggrijpen. Want alles heeft met 'taal' te
maken. Een goede schilder of tekenaar ontwikkelt en hanteert, binnen de
traditie van de schilderkunst, zijn eigen taal. Die taal drukt het
onderbewuste uit, maakt het onderbewuste dus bewust. De schilder moet
zich in die taal bekwamen. Hij moet ernaar leren luisteren. Hij moet
leren voelen hoe zijn hand een vertaling van zijn diepste ziel
aanbrengt. Dat vergt, behalve een uitzonderlijk aangeboren talent,
grote kennis en concentratie. Hoe zei Picasso dat weer? 'Je begint met
iets, je weet niet wat het gaat worden, het is de ene penseeltrek die
de andere commandeert.' Zo is het. Je moet openstaan voor die, soms erg
subtiele, commando's vanuit het onderbewuste.

"De schilderijenoptocht van 1978 te Machelen-aan-de-Leie (1978) is een
goede illustratie van de werking van die specifieke, eigen taal. Dat
werk klopt helemaal. Maar het is een misverstand te denken dat het
bekende resultaat in één keer op het doek stond. Een schilderij groeit
en misgroeit terwijl je ermee bezig bent. Ik heb delen van het
schilderij herhaalde keren afgewassen, weggevaagd, en opnieuw en weer
opnieuw geschilderd. Telkens bekeek ik het geheel van op een afstand en
telkens was ik diep ontgoocheld. Pas toen ik gewaarwerd dat ik die
witte streep verticaal en schuin over het doek moest schilderen, pas
toen ik dat commando waarnam, hing alles aan elkaar en waren alle
elementen van het doek verbonden zoals ik intuïtief en onbewust
aanvoelde dat ze verbonden moesten worden. Het is onmogelijk om
wetenschappelijk te bepalen aan welke wetten de compositie van een
schilderij moet gehoorzamen om 'geslaagd' te zijn. Vorm mag nooit
overheersen. Je hebt gevoel nodig. Voeling met je onderbewuste. Hoe
vaak is het niet gebeurd dat ik pas nadat mijn werk af was, besefte:
'Oh ja, nu snap ik het.' Mijn onderbewustzijn wist wat mijn bewustzijn
niet kon weten. Een mens moet soms diep gaan om in contact met zijn
ziel te komen.

"Mijn schilderkunst, mijn taal werd en wordt nog steeds te vernieuwend
gevonden. Men verstond en verstaat me te weinig. Ik ben niet in een
hokje te plaatsen. Mijn werk bevat alles. Ik combineer schilder -en
tekenkunst in hetzelfde schilderij. Ik werk met zeer figuratieve
beelden en zet ze naast abstracte. Ik zet werkelijkheid en illusie
naast elkaar. Ik schilder smeuïg en vlak op een en hetzelfde doek. Ik
schilder de hand van een persoon heel realistisch, en laat zijn gezicht
overgaan in een witte vlek, in het niets, dat op die manier plots iets
heel belangrijks wordt. Ik wil dat mijn werken overvloeien in de
omgeving. Enzovoort. Het is die hoogstpersoonlijke manier van kijken en
van de wereld vervolgens uit te beelden die mijn vriend en dichter
Roland Jooris in de jaren zestig De Nieuwe Visie heeft gedoopt. Jooris
voelt de sferen van mijn werk aan. Want ook degene die naar het
schilderij kijkt, moet zich de regels van de picturale taal eigen
maken. Ook de samenleving waarmee een kunstwerk in dialoog treedt, moet
zich de moeite getroosten om te willen begrijpen wat er staat. Je moet
in de plastische taal leren denken. En je moet erin leren voelen. Dat
laatste wordt al te vaak vergeten: dat we ook voelen in en via onze
taal. Mede daarom dat Vlamingen en Walen zo danig van elkaar
verschillen. Mede daarom dat wij zo anders zijn dan Duitsers of dan
Britten. Omdat iedereen, in denken en in voelen, door zijn taal wordt
gevormd. Och, de geschiedenis heeft uitgewezen dat het lang kan duren
voor het begrip tussen de twee, de schilder en de toeschouwer, tot
stand komt. Kijk hoe lang de wereld nodig heeft gehad voor men doorhad
dat Van Gogh, die trouwens net als ik dagelijkse voorwerpen in de kunst
binnenhaalde, een grootmeester was.

"Ik heb pas enkele dagen geleden mijn expositie bezocht. Bij de
vernissage kon ik helaas niet aanwezig zijn omdat ik ziek was. Maar ik
moet zeggen: ik ben zeer tevreden over wat ik daar allemaal zag en toen
ik oog in oog met mijn werk stond, werd ik bij meerdere schilderijen
weer de triomf gewaar die ik ook hier in het atelier heb gekend. Als ik
de trap beklom en vanaf de trap naar mijn werk keek en vaststelde dat
het 'wow, een meesterwerk' was. Dat er op die tentoonstelling ook
meerdere doeken uit privécollecties hangen, heeft me extra verheugd.
Niet alleen voor de toeschouwer maar ook voor mij is het aangenaam om
werken van mezelf te zien die anders voor de buitenwereld 'verstopt'
blijven. Ik heb werkelijk picturaal genoten. Ik dacht vaak: 'Knap en
wonderlijk, dat ik dat allemaal heb gedaan!' En ook schoot het door
mijn hoofd: 'Wow, heb ik dat echt allemaal gemaakt?"

Tot 14 juni loopt de tentoonstelling De wereld van Roger Raveel in De
Loketten van het Vlaams Parlement, IJzerenkruisstraat 99 in 1000
Brussel. Toegang gratis. Gesloten op zon-en feestdagen. Tot 23 augustus
loopt in het Vincent Van GoghHuis in Zundert (N) een dubbelexpo Raveel
& Van Gogh.

Hoe vaak is het niet gebeurd dat ik pas nadat mijn werk af was,
besefte: 'Oh ja, nu snap ik het.' Mijn onderbewustzijn wist wat mijn
bewustzijn niet kon weten. Een mens moet soms diep gaan om in contact
met zijn ziel te komen

Toen ik onlangs in Brussel oog in oog met mijn werk stond, werd ik bij
meerdere schilderijen weer de triomf gewaar die ik ook hier in het
atelier heb gekend: als ik de trap op klom, naar mijn werk keek en
vaststelde dat het 'wow, een meesterwerk' was

© 2009 De Persgroep Publishing

Inhoud syndiceren