DEEL III
DINSDAG 23 DECEMBER
DE DOOD ZOALS HIJ EVENGOED HAD KUNNEN ZIJN

Alle gasten zitten aan tafel. Christine heeft voor de indeling gezorgd, en iedereen is, in een stilte vol schurende stoelen, op de plaats gaan zitten die zij en Louise voor hem of haar hebben uitgedokterd. Vier grote tafels zijn gedekt. Ik zit aan de middelste. In het gezelschap van mijn moeder en zus, en naast Ivo en zijn echtgenote, Natalie. Ivo is oud geworden. Ivo is natuurlijk oud. Bijna zeventig. Maar vandaag lijkt hij erg fragiel en pezig. Ik vraag me af of hij ziek is, zijn huid heeft een gelige schijn en Natalie legt voortdurend haar hand op de zijne, die op tafel ligt, in een vuist en met de duim omhoog. Christine en ik hebben elkaars handen in geen eeuwen nog aangeraakt. Moeder kijkt voor zich uit. Haar ogen priemen door ons en deze hele komedie heen.
Nadat iedereen is binnengekomen en elkaar heeft gegroet, wordt er vooral gezwegen. Uit onwennigheid, vermoed ik. Uit koppigheid ook; niemand van ons heeft dit echt gewild, en ik heb sterk de indruk dat we allemaal twijfelen aan het nut van deze bijeenkomst. Ik zeker. Ik word niet graag gedwongen om aan een van de tafels in mijn eigen restaurant aan te schuiven. Dat het bevel van een overleden zus komt die morgen begraven wordt, maakt de zaak er niet makkelijker op. Ik wil veel liever in mijn keuken staan. Daar is mijn plaats. En daar bevindt zich mijn echte familie.
Soms, als ik me tussen twee ‘services’ door uitstrek in mijn ontspanningskamer op de eerste verdieping, speel ik een dvd af uit de verzamelbox van Agatha Christie. Poirot en Hastings ontspannen me. Maar niet vandaag, nu Restaurant Victoria me op meerdere vlakken doet denken aan een setting uit zo’n typisch Christie verhaal. Een tiental, totaal verschillende personages wordt op subtiele wijze in één kamer samengedreven. Niemand spreekt, ook de onschuldigen niet, bang als ze zijn om zelfs hun schuldeloosheid voorbij te praten. Niemand vertrouwt elkaar. De achterdocht druipt van de gezichten. Geen enkele blik, geen enkele beweging, zelfs geen enkele afwezigheid van beweging is betekenisloos. En allemaal weten ze dat ze, als puntje bij paaltje komt, op een persoonlijk motief voor de misdaad betrapt kunnen worden. Zouden kunnen worden. Dat is misschien wel het meest oorverdovende aan deze spanning: in wezen treft iedereen schuld. Dat weten we. Net zoals we weten dat er slechts één tot het plegen van de daad is overgegaan. En dus, tot grote bevrijding van de anderen, met de vinger kan worden aangewezen.

We drinken het aperitief, we hebben een toost op Louise uitgebracht en we krijgen sublieme amuse-gueules geserveerd. Het lijkt net echt. Ik proef elk gerechtje. Ik keur. Maar ik geniet niet. Om te genieten moet je kunnen voelen. De Dom Pérignon is perfect op dronk. De kloosternonnen die zich aanvankelijk in deze prestigieuze omgeving met hun lichaam geen blijf wisten, en daarom al meteen na het binnenkomen aan tafel gingen zitten, hebben hun eerste glas al leeg en kijken met bewondering naar de sommelier die hen bijschenkt. Zij zijn de enige die praten. Ik weet niet wat het onderwerp van hun gesprek is, maar in elk geval wordt er daar geconverseerd. Als er, samen met enkele oesters, ook een vingerkommetje op hun tafel belandt, kijken ze, de hoofdnon inbegrepen, verrast, nieuwsgierig en een tikkeltje wanhopig in het rond. Het zou niet de eerste keer zijn dat een gast het lauwe water opdrinkt.
Ik kan mijn blik niet van de open keuken afhouden. Ik zie mijn mannen. En Peggy. Pain de sucre. Ze staat geconcentreerd over haar werkplank gebogen. Ze is niet mooi. Maar ze is.
Ik denk dat ik moet opstaan. Een wandelingetje moet maken. Niet met de auto. Dat zou niet gewaardeerd worden. Ik zal van de ene tafel naar de andere lopen, en de nervositeit van me afschudden. Per slot van rekening ben ik gastheer. Ook al heeft Louise ons testamentair bevolen om vanavond niet te werken, en samen met de rest van de familie gezellig aan tafel te zitten. Tafelen is niet gezellig. Koken wel.
Jeanne zegt dat de amuses wel héél minuscuul zijn, en iedereen aan mijn tafel lacht. ‘Maar ze zijn wel ontzettend lekker’, voegt Ivo daaraan toe. En als hij ziet dat moeder haar gerechtjes niet aanraakt, prikt hij ze van haar bord weg en stopt ze smaakvol in zijn mond. Christine gebiedt de maître met haar ogen dat er kruimels op tafel liggen. Ik had mijn broer vaker moeten zien.

Telkens als ik het gewaag om mijn zitvlak ook maar twee centimeter van mijn stoel te heffen, schiet Christine in actie en drukt ze met haar rechterhand op mijn dijbeen, tot ik weer neerzit. ‘Koest, Victor, koest.’ Dit gezelschap staat me niet aan. Ik heb al enkele dagen na elkaar niet in pannen en potten geroerd, en mijn hoofd dat anders constant nieuwe gerechten, bereidingswijzen en combinaties uitprobeert, ligt al even lang stil en houdt zich bezig met zaken waarvoor het anders de tijd niet heeft. Al die foto’s en aantekeningen. Al die herinneringen van al die jaren. Van een heel leven. Van meerdere levens. De verplichting die als een strik rond dit feest is gesnoerd, en alles wat ook maar enigszins naar spontaniteit zou kunnen ruiken, is verstikt. En dan. De derde pagina van haar testament. Die laat me geen seconde los. ‘Zuster Gwenola’, de zuster die nu aan haar tweede glas champagne nipt, ‘zal voor de koffie aan jullie een dagboek overhandigen. Ik wil dat jullie mijn dagboek lezen. En aan Victor, mijn lieve Victor, vraag ik nadrukkelijk vergiffenis’. Ze krijgt ze van mij. Die vergiffenis. Ook zonder dat ik dat dagboek heb gelezen. Ik scheld haar al haar zonden kwijt. Behalve dan dit feest. Dat ze me dit heeft aangedaan, reken ik haar tot na haar dood dubbel en dik aan.
Het voorgerecht is nog niet opgediend. En avant. Wat doen ze daar in de keuken. Slapen ze misschien? Ik zweet. Ik droog mijn voorhoofd met mijn das. Ivo spreekt met me. Ivo. Hij praat over zijn kat die op de zolder jongen heeft gelegd, en zegt dat hij zich met dat nest geen raad weet. Hij zegt dat het mooie en brave diertjes zijn. Dat hij ze niet kan doden. En dat poezen in een dierenasiel meteen naar de spuitjesbank worden geleid. Hij vraagt of ik bij mijn personeel eens kan polsen of er iemand jonge katjes wilt. Hij zegt ook: ‘Hou ouder ik word, hoe minder ik kan verdragen dat er leven wordt gedood.’ Ik antwoord: ‘De jaren maken de mens milder.’ ‘Dat weet ik niet’, zegt hij, ‘ik denk dat ik altijd mild ben geweest.’ Dronken ben ik nog niet. Hoe meer men drinkt, hoe immuner men wordt. Voor alcohol. Niet voor het leven. Niet voor het verleden.
Ik weet wat ze gaat verklappen. Ik weet wat in haar dagboek staat. Binnen twee, hooguit drie uur is het zover: iedereen zal naar mij wijzen. Ik. Ik heb het gedaan.
Dat wil ik niet.
Dat mag niet.
Plots weet ik wat ik moet doen.
Besef ik dat ik maar één ding kan doen.
Ik sta op. Ik verontschuldig mezelf beleefd bij mijn tafelgezelschap en zeg dat ik zo terug ben. Christines fronsende wenkbrauwen beantwoord ik met: ‘Ik heb iets nodig uit mijn kamer, je zal straks wel begrijpen wat.’
Op mijn kamer open ik de kluis.
Ik haal het pistool eruit.
Ik ga op de rand van het bed zitten.
Ik denk aan Christine, en aan onze kinderen die nooit kinderen zijn geworden.
Even betreur ik de inspanningen die mijn equipe heeft geleverd om dit feest tot een goed einde te brenge. En ik hoop dat Simon de zaak overneemt.
Dan zet ik het pistool aan mijn slaap.
En haal de trekker over.