Wie in Antwerpen tram 15 neemt,
is vertrouwd met het beeld van pijpen­ krullen, keppels, zwarte pruiken en kousen. Maar wie zijn ze echt, de Antwerpse joden? Margot Vanderstraeten werkte zes jaar in een orthodox ­joods gezin en schreef daar Mazzel tov over: een reality check voor menig (multi)cultureel vooroordeel. Filip Rogiers Mazzeltov De Standaard 21/04/2017

‘Wat weten we nu eigenlijk van de ander?’

1987. Margot Vander­ straeten studeerde talen en was op zoek naar een baantje. Een zoekertje bracht haar bij het ortho­ dox­joodse gezin Schneider – een pseudoniem – dat een studente zocht om hun kroost naschoolse les te geven. Ze bood zich aan, kreeg de baan en het verander­ de haar leven.

‘Het was een wereld die mij volstrekt vreemd was’, zegt ze. ‘Ik was nog nooit aan die kant van de stad geweest.’ Van de jo­ denbuurt kende ze, zoals de meesten, enkel de etalages van de juwelenwinkels in de Peli­ kaanstraat.

Anders dan haar voorgangers, die veelal na enkele weken al de laan werden uitgestuurd of zelf gillend wegliepen, hield Vander­ straeten het zes jaar vol. Meer, het afscheid viel haar zwaar. Ze hield er behalve een boezem­ vriendin – Elzira, de oudste dochter – een bijzonder verfijnd gevoel voor identitaire en multi­ culturele vraagstukken aan over.

Het wordt in het huidige ge­ polariseerde klimaat al eens moedwillig vergeten, maar di­ versiteit is een werkwoord, altijd al geweest, een vat vol gemeng­ de gevoelens. ‘Nooit wit, nooit zwart, altijd een kwestie van proberen eerder dan van slagen’, zegt ze.

Ook haar verblijf bij de Schneiders werd getekend door afkeer en begrip, vallen en op­ staan. Afkeer van de bewust ge­ zochte segregatie en de als tole­ rantie vermomde onverdraag­ zaamheid tegenover gojim (niet­ joden) enerzijds. Begrip voor de beweegredenen (de vervolging, de Holocaust) anderzijds. En zelfs een tikkeltje jaloezie voor de wereldsheid van die schijn­ baar in de vorige eeuw gestolde joden: hun toewijding aan het intellectuele en artistieke leven, hun noodgedwongen kosmopoli­tisme.

Mazzel tov is van dit alles het wonderlijke verslag. Een 333 pa­ gina’s lange realitycheck voor de vooroordelen die zelfs de best bedoelende, progressieve lezer niet vreemd zijn.

‘Ik was jong, had een vranke mond, was en ben nog altijd vrijzinnig, vond mezelf geweldig open van geest. En toch klikte het met de Schneiders in hun erg besloten milieu met hun strikte, religieuze leefregels. Zelfs wanneer het botste, zoals met de oudste zoon, Jakov, die mij graag intellectueel uitdaag­ de. Elke dag was een test, een que sais je.’

‘Je gaat ervan uit dat mensen die zich erg klassiek en oubollig kleden er ook oubollige gedach­ten op nahouden. Maar de Schneiders waren heel breed­ denkend.

Mazzeltov De Standaard 21/04/2017

Waarom wachtte u dertig jaar met dit boek?
‘Ik heb altijd al geweten dat ik ooit over die jaren zou schrij­ven. De familie Schneider heeft mij nooit losgelaten. De klik kwam er toen ik eens op het vliegtuig naast Adriaan van Dis zat. Hij zou een documentaire maken voor de VPRO over Israël en was zich aan het inlezen. We raakten aan de praat over het jodendom. “Hoe komt het dat jij dat allemaal weet?” vroeg hij. “Alleen ingewijden kennen dat.” Ik vertelde hem van mijn jaren bij de Schneiders. “Daar heb je toch al over geschreven, mag ik hopen?” (lacht) Niet dus. Thuis ben ik meteen aan de slag ge­ gaan. Het boek zat klaar. Van Dis’ documentaire is er uiteinde­ lijk niet gekomen. Met de islam erbij werd het allemaal erg inge­wikkeld, vond hij, om een goede positie in te nemen.’

 

 

 

 

Hinderde u dat dan niet? 9/11 was nog ver weg toen u bij de Schneiders verbleef.
‘Ik werkte er ten tijde van de eerste intifada (1987­1993) en de eerste Golfoorlog (1990­1991). Maar inderdaad, de islam was op dat moment nog niet zo’n be­ laden en alledaags nieuwsitem als toen ik mijn herinneringen neerschreef. Dat kleurt mijn boek ongetwijfeld. Het gaat over joden in Antwerpen, maar de vragen zijn universeler dan dat. Wat weten we nu eigenlijk van de ander?’

U wordt ‘bijna familie’, zelfs toe­ gelaten tot joodse feesten waar normaliter geen goj welkom is. En toch: ‘Als ik zelfs maar even de pretentie had te denken dat ik tot de millefeuille van de joodse cultuur kon doordringen, werd ik wel weer met de neus op de tegenovergestelde feiten ge­drukt.’

‘Ja, elders gebruik ik voor dat idee van never the twain shall meet het beeld van het eeuwen­ oude schilderij waar je binnen­ stapt, maar waarin je toch nooit thuis kunt zijn. Dat lijkt mij bij uitbreiding een metafoor voor de hele diversiteit vandaag. We hebben geen idee van de gevech­ ten die mensen moeten leveren. Een kennis van mij is moslima, jaren geleden gevlucht met de familie uit Bosnië voor de oor­log. Haar moeder is onlangs uit het leven proberen te stappen omdat ze het hier allemaal niet meer aankon. Het is ook het tra­ gische verhaal van Marjane in het boek, de zus van mijn toen­ malige uit Iran gevluchte part­ ner. Het is niet omdat je “papie­ ren” hebt dat je verblijf hier geen hel van eenzaamheid en misbruik kan worden. En nie­ mand die het zag, zelfs haar ei­ gen broer niet.’

‘Ook de Schneiders waren vluchtelingen na de oorlog. Het is hetzelfde spel, alleen de pion­ nen veranderen van plaats. En of het nu over de Schneiders of Syrische vluchtelingen vandaag gaat, altijd geldt: diversiteit is moeilijk, er zijn meer vragen dan antwoorden.’

‘Van jezelf denk je dat je progressief bent omdat je in smalle broeken rondloopt, terwijl je dan in veel zaken conservatiever blijkt dan zij’

Je zou denken dat joden thuis zijn in Antwerpen, maar uw boek haalt dat cliché onderuit. De kin­ deren Schneider voelen zich vei­ liger op de tram in Jeruzalem dan in Antwerpen.
‘Ze kunnen vanzelfsprekend meer zichzelf zijn in Israël, maar ook in New York. Alle kin­ deren Schneider leven inmiddels in het buitenland. De meeste jonge Antwerpse joden gaan slechts tijdelijk naar Israël, daarna zwermen ze uit.’

‘We moeten voor onszelf zorgen, omdat anderen dat nooit zullen doen’, verklaart meneer Schnei­der de bewuste keuze voor se­gregatie.

‘Daar hebben ze inderdaad erg goede redenen voor, gegeven hun geschiedenis en ook, nog al­ tijd en zelfs weer vaker, het he­ den. De documentaire die Han­ neke Groenteman maakte over het oprukkende antisemitisme in Nederland is schrikbarend.’

Een personage in uw boek, een leraar, vraagt zich af of de joden door die hang naar het eigene niet juist mee schuld hebben aan ‘de spijker waarachter anti­ semieten’ blijven haken.

‘Dat is een heel terechte be­ denking en dat wordt ook bin­ nen de joodse gemeenschap, die allesbehalve monolithisch is, druk besproken. Hun gesloten­ heid maakte ook mij boos en opstandig, nog altijd trouwens. Ook als ze gastvrij zijn, sluiten ze je uit. Ik mocht wel op hun etentjes komen, maar ik kon hún nooit uitnodigen bij mij thuis omdat mijn keuken en voedsel niet koosjer is.’

‘Wij ruiken de jodenhaat weer’, zegt meneer Schneider. Niet ver weg, maar om de hoek. ‘Letterlijk, bij de bakkers­ vrouw in hun eigen wijk. (zucht) “Waarom stinken ze zo?” Dat hoorde ik onlangs in alle ernst van iemand die wist dat ik een “boek over de joden” had ge­ schreven. Dat was geen sukke­laar, maar een best degelijk op­ geleid iemand. Niemand is im­muun. Toen ik met Nima was (pseudoniem voor haar Iraanse ex­partner, red.), werd er in mijn eigen vriendenkring en aan de toog van linkse cafés ook wel eens jolig gezegd: “Jaja, maar in­ tussen pakken ze toch maar mooi onze vrouwen af” of “Zijn wij niet goed genoeg misschien”. Lachen hoor.’

 

 

 

 

 
 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is niet onschuldig?

‘Natuurlijk niet! En het is er niet op verbeterd in die dertig jaar sinds ik bij de Schneiders kwam. Dat iemand geen enkele remming voelt om te zeggen dat joden stinken, zegt veel over het klimaat vandaag.’

Het lijkt me de centrale vraag van uw boek: kunnen we samen samenleven of zijn we gedoemd om apart samen te leven? ‘Vraag me het antwoord niet.’

(lacht)

Mazzeltov De Standaard 21/04/2017Wat uw boek vooral mooi maar pijnlijk illustreert: hoe open je ook staat voor de ander, altijd zullen er muren zijn. En die moe­ ten we niet willen wegwuiven met dat kleffe ‘ach, dat is de rijkdom van het verschil’. ‘Precies. Verdoezel dat niet. Doe ook niet alsof vluchtelingen sukkeltjes zijn, dat is een grove onderschatting van hun capaciteiten. Dat ze soms liegen om aan papieren te raken? Natuur­lijk! Zou ik ook doen. Iedereen doet alles om zijn hachje te red­den. En ja, muren zijn muren. Ook als je er tegen schopt, blij­ ven ze staan. Ik vind niet dat we allemaal op hetzelfde schilderij moeten kunnen staan, maar je kunt wel toenadering zoeken en vinden. En lang niet alles heeft met culturele of religieuze ver­ schillen te maken. Er zijn zoveel parameters die een mens vor­men. Heeft je moeder gewerkt? Kreeg je liefde?’

De muren in het gezin worden u vaak te veel, maar toch maakt het menselijk contact veel goed. Vooral dan met Elzira die mee door u ontpopt van een bang, boos, eenzaam en gesloten kind tot een moderne, zelfbewuste, blije vrouw.

‘Die tegelijk in haar eigen ge­ meenschap de regels blijft vol­ gen. En dat kan samengaan, dat is geen tegenspraak. Zo was het ook in mijn eigen kindertijd in de Limburgse mijnstreek. Ik zat op een “zwarte” school en dat was normaal. ’s Middags rook je in de refter allerlei soorten ge­ rechten. We haalden onze neus op voor elkaars lunchpakket, maar we proefden er wel van. We lachten elkaar ook uit, dat kon. Sommige kinderen hadden hun eten mee in krantenpapier, want een brooddoos is iets Vlaams. En elke zomer werden we op luizen geïnspecteerd zon­ der dat dat een stigma was.’

‘Er is niets geringers/ dan een mens en iets beters is er niet’ (Hans Andreus)?
(knikt) ‘Ja, bots, baal, lach en omhels.’