Mazzel tov

 

Mazzel tov gaat over de onbekende ander die vlakbij woont.

Het verhaal begint met mijn kennismaking met de vier kinderen van een joods-orthodox gezin, inmiddels meer dan 25 jaar geleden.

Ik hielp de kinderen Schneider dagelijks met hun huiswerk. Via dochter Elzira en zoon Jakov kreeg ik geleidelijk aan toegang tot de gesloten joods-orthodoxe wereld. Ik leerde zowel Jiddische als Hebreeuwse woorden. Ik mocht in hun kleerkasten kijken. Ik zat mee aan de sjabbestafel. Ik ontmoette de grootmoeder, overlevende van de holocaust. Ik won het vertrouwen van de ouders. Ik maakte een condoomavontuur met Jakov mee. Ik hielp Elzira van een nachtmerrie af. Ik vertelde Elzira wat ik van een gearrangeerd huwelijk vond. Ik kreeg een gynaecologische tip van Mevrouw Schneider. Ik luisterde naar de grappen van Mijnheer Schneider. Ik had moeite met hun onderwijssysteem. Ik ging naar de diploma-uitreiking van Elzira. Ik ging naar Israël. Ik was gast op hun huwelijksfeest. Ik stelde hen mijn Iraanse vriend voor. En zo voort.

En dan de onvermijdelijke woorden van de uitgever, woorden die met een korrel zout genomen dienen te worden en het best door eigen lezing worden getoetst:

‘Mazzel tov is een meeslepend en confronterend verhaal over opgroeiende kinderen in een modern-orthodox joods milieu, gezien door de ogen van een niet-joodse jonge vrouw. Deze memoires vormen een uniek document. Weinigen niet-joden dringen zo diep binnen in het dagelijkse leven van een joods orthodox gezin. Weinigen beleven een relatie zo intens, nemen zovele details en sferen waar. Weinigen hebben zo’n kritisch politiek en religieus bewustzijn. En geen van allen kan schrijven zoals Vanderstraeten.’

De coverfoto is van Dan Zollmann. www.danzollmann.be
 
 
Recensies

 

NRC Kinderen verlagen drempels, volwassenen trekken muren op en zouden opener moeten zijn. Een aanrader

De Belgische schrijfster Margot Vanderstraeten verbleef zes jaar als begeleidster van vier kinderen in de gesloten orthodox-joodse wereld van het Antwerpse gezin Schneider. Met veel respect en nieuwsgierigheid van beide zijden ontwikkelt zich heel voorzichtig een nieuwe wereld waarin er begrip voor elkaar ontstaat. Maar, zo stelt Vanderstraeten aan het einde van het oprecht en mooi geschreven Mazzel tov, zonder de kinderen was dat nooit gelukt. Kinderen verlagen drempels, volwassenen trekken muren op en zouden opener moeten zijn. Een aanrader. NRC

Lees Meer

De wereld morgen ” een noodzakelijk & plezierig boek”

slechts een in een miljoen vindt, natuurlijk, de taal, het pertinente interpretatiekader en de stijl om dat in een fijn boek weer te geven. Stefaan Hublou Solfrian

Lees Meer

Recensie De sleutel Nederland Mazzel Tov

Een must read staat op de cover.. Ik kan dat aleen maar beamen

Lees Meer

1 mei 2017 Recensie Cutting Edge ****

Margot Vanderstraeten, ‘Mazzel tov’ Als jonge studente was Margot Vanderstraeten op zoek naar een baantje. Via een zoekertje komt ze bij de joods-orthodoxe familie Schneider (een fictieve naam)  terecht. Ze begeleidt er zes jaar lang de kinderen van het echtpaar bij hun huistaken. Een ervaring die haar kennelijk nooit heeft […]

Lees Meer

Mazzel Tov VPRO BOEKEN 30/04/2017

Dertig jaar geleden sloot Margot Vanderstraeten vriendschap met een joods-orthodoxe familie in Antwerpen. Ze schreef er een zeer meeslepend boek over: ‘Mazzel tov’. Zondag is ze te gast in VPRO Boeken.VPRO Boeken Zondag 30 april, 11.20 tot 12.00 uur op NPO 1 (Nederland)

Lees Meer

Mazzel tov in Van Gils en Gasten 25/04/2017 22:00

 

Margot Vanderstraeten was een au pair bij een Orthodox-joodse familie. Aaron Malinsky is haar leermeester Hebreeuws en maakte de herinneringen weer levendig.

Lees Meer

Mazzeltov Het laatste nieuws 25/04/2017

 

Zichtbaar maar onbekend Het Nieuwsblad ****,  Di. 25 Apr. 2017, Pagina 21   Margot Vanderstraeten (49) was een twintigjarige studente toen ze werd aangenomen als naschoolse leerkracht voor vier kinderen van een Antwerpse joodse familie. De Schneiders (een pseudoniem) behoorden niet tot de strengste chassidische tak van de joodse gemeenschap, maar leefden wel […]

Lees Meer

Mazzel tov Het Belang Van Limburg 25/04/2017

 

Het boek is een onverhoopt succes, want nog voor dit interview doorgaat meldt ze dat een tweede druk al in de maak is. “Plots ben ik een experte in de Joodse cultuur.”

Lees Meer

Mazzel tov Gazet van Antwerpen 22/04/2017

 

Eind jaren tachtig financiert de jonge Margot Vanderstraeten haar studie door huiswerkbegeleiding te geven aan joodse kinderen.

Het is het begin van een lange

en warme relatie met de joods- orthodoxe familie Schneider. Haar ervaringen beschrijft ze in het pas verschenen boek Mazzel tov, wat zoveel betekent als goed geluk.

“Ik hoop dat dit boek de joodse

en niet-joodse gemeenschap wat dichter bij elkaar brengt.”

Lees Meer

Mazzel tov Trouw, Za. 22 Apr. 2017, Pagina 87

Ik had een legging met doodshoofdjes, én een Iraanse vriend’ Trouw,  Za. 22 Apr. 2017, Pagina 87   Margot Vanderstraeten (1967) is een Vlaamse schrijver en journalist. Ze schreef vier romans   Margot Vanderstraeten Mazzel tov. Een werkstudente en een joods-orthodoxe familie Atlas Contact; 320 blz. € 19,99 Sofie Cerutti Bijles geven […]

Lees Meer

Mazzel tov De Standaard 21/04/2017

April 22, 2017

Margot Vanderstraeten over haar jaren als werkstudente bij een orthodox-joods gezin in Antwerpen

Wie in Antwerpen tram 15 neemt,

is vertrouwd met het beeld van pijpen­ krullen, keppels, zwarte pruiken en kousen. Maar wie zijn ze echt, de Antwerpse joden? Margot Vanderstraeten werkte zes jaar in een orthodox ­joods gezin en schreef daar Mazzel tov over: een reality check voor menig (multi)cultureel vooroordeel.

Lees Meer

De Standaard: “Dit boek is een must read voor iedereen”

“Dit boek is een must read voor iedereen” 

Vanderstraeten presteert wat elke schrijver groot maakt: tonen hoe mooi en moeilijk het is om mens te zijn onder de mensen. Mazzel tov is een heel straf boek.(Filip Rogiers)

Lees Meer

Mazzeltov De Morgen 15/04/2017

interview. Margot Vanderstraeten over haar jaren als werkstudente bij een orthodox-joods gezin in Antwerpen Iemand zegt dat zwijgen het medicijn is en Margot Vanderstraeten schrijft: ‘Ik schaamde me dood.’ We weten zo weinig en daarom is Mazzel tov, haar nieuwe boek, een enige inkijk in de wereld van de orthodox-joodse gemeenschap. In de wereld van onze eigen buren dus.

De Morgen,  
Za. 15 Apr. 2017, Pagina 38

Lees Meer

Fragment

Hoofdstuk ​vier

Het eerste halfuur zat ik tegenover Mijnheer Schneider in een kamer die ‘bureau’ werd genoemd en die aan de achterzijde van de begane grond lag, net voorbij de lift.
De lift! Ik had er geen idee van dat zulke folies bestonden; dat er in de stad mensen woonden, mensen zonder lichamelijke beperkingen, die in hun huis een lift lieten installeren.
Het dikke witte tapijt waarin mijn voeten leken weg te zinken, maakte grote indruk. Mijn moeder gaf de voorkeur aan tegels: als je daar een emmer sop overheen gooide, kon je ze in een mum van tijd schoon schrobben. In dit huis had men de toegangswegen met hoogpolig wit tapijt bedekt.
Tegen een gangwand flikkerden de videobeelden: de straat vanuit verschillende invalshoeken. Een wazige passant liep voorbij. Iemand stopte reclamefolders in de bussen.
In het bureau stond een werktafel en een boekenrek waarvan slechts een plank met boeken was gevuld. De rug van de gebroeders Bescherelle en van le Petit Robert herkende ik op slag. De andere boeken waren Hebreeuwse werken, heilige boeken vermoedde ik, zo zagen ze toch eruit, dikke pillen met lederen ruggen vol gulden letters en tierelantijnen.
De ramen reikten van vloer tot plafond en gaven uit op de binnentuin waarvan – midden in de stad! – een vijver mét loopbrug het hoofdingrediënt vormde. Aan de rand van het grote, marmeren tuinterras stond een basketbalpaal met doelnet en verderop in de tuin hing een schommel aan een felrood geschilderd metalen skelet. Het gazon was perfect onderhouden: knalgroen gras, vers gemaaid.
Mijnheer Schneider bleek een lange, slanke man. Hij droeg een donker kostuum, een wit overhemd en een donkerblauwe keppeltje. Hij had geen pijpenkrullen en zijn zwarte baard, met grijs gespikkeld, was donzig en hing niet als een slab tussen zijn kin en zijn borst, maar plakte dicht op de huid.

Mijnheer Schneiders stem klonk krachtig en zijn Nederlands was versierd met een lichter Frans accent dan dat van zijn echtgenote. Hij leek een beetje op mijn vader, maar dan in een joodse versie en met diepere groeven in zijn voorhoofd en rond zijn ogen. Er zijn mensen die nooit rode wangen hebben. Mijnheer Schneider scheen mij zo iemand. Zijn huid leek een permanente vaalgrijze schijn te bezitten. Zijn snor en baard omlijstten zijn mond en gaven zijn gezicht kleur.
‘Zullen we dat maar één enkele keer doen?’ vroeg Mijnheer Schneider nadat we elkaar de hand hadden geschud. Ik had niet door wat hij bedoelde. Hij trok zijn jasje uit en hing het traag over zijn stoel, erop lettend dat de schouders precies over de hoeken van de rugleuning vielen. Hij verzocht me te gaan zitten.
‘Als u me de hand reikt, zal ik hem drukken, juffrouw,’ zei hij, die de verwarring van mijn gezicht moet hebben afgelezen. ‘Want ik respecteer u en uw gewoonten, nietwaar. Maar het is onze gewoonte om géén hand aan vrouwen buiten onze naaste familie te geven. Het zou fijn zijn als u deze gewoonte weet te respecteren.’
Ik lachte naar hem. Sukkelachtig, vermoed ik. Ik keek naar mijn rechterhand en vroeg me af wat daar fout mee kon zijn. Er zat Tipp-Ex aan mijn vingers, dat wel.
Op een brede plank het boekenrek lag, omringd door drie ronde kartonnen dozen, een zwarte hoed met een brede stijve rand. Ik had pas op een rommelmarkt nog een soortgelijke doos van Borsalino op de kop getikt: alle persoonlijke brieven die ik in mijn leven had ontvangen, stopte ik erin.
Mijnheer Schneider stak een monoloog af. Enige ruimte om tussen te komen schiep hij niet, en als ik een poging ondernam om hem een vraag te stellen, liet hij die interventie plaatsvinden zoals politici dat in praatprogramma’s doen: na het intermezzo ging hij onbewogen door.

‘Ik heb vier geweldige kinderen,’ zei hij, ‘twee voorbeeldige zonen en twee al even voorbeeldige dochters. Ze zijn alle vier verschillend, dat is logisch en ik zal proberen om die logica een beetje uit de doeken te doen.’
Ik dacht: O nee, alsjeblieft, ik heb een hekel aan voorbeeldige kinderen, ik kon er nooit bevriend mee zijn, herkende ze meestal al van ver, kon hun voorbeeldigheid aflezen aan hun schoenen en aan hun manier van lopen en kijken; de graad van gehoorzaamheid straalde af van de stand van hun kin.
‘Simon is onze oudste,’ begon Mijnheer Schneider. ‘Hij is zestien nu. Hij lijkt, van karakter bedoel ik dan, vooral op zijn moeder, mijn echtgenote. Hij is zacht en taai tegelijkertijd, snapt u? U zal het snappen als u mijn echtgenote ontmoet. Een harde werker die liever zwijgt dan praat, dat is hij, maar u mag hem niet onderschatten, van hart en tong is hij goed gesneden.’ Zo zei hij dat. En ik moest glimlachen.
‘Als Simon zijn mond opentrekt, juffrouw, is dat niet om te praten, maar omdat hij iets te zeggen heeft, u begrijpt wat ik bedoel. N’importe: u zal met hem niet veel bezig zijn, hij volgt wiskunde en wetenschappen. Simons studierichting is voor u te moeilijk en te gespecialiseerd, u bent een talenknobbel heb ik begrepen, u heeft een andere brein, nietwaar, u kan onze Simon enkel helpen met de vakken Frans en Nederlands, wie weet ook geschiedenis en aardrijkskunde. Onze oudste zoon zal zelf wel aangeven wanneer hij op u een beroep wil doen. Maar als hij u nodig heeft, willen wij ook dat hij op u kan rekenen, nietwaar.’
‘Zeker,’ zei ik.
‘Jakov is onze tweede,’ vervolgde hij. ‘We kregen twee jongens na elkaar en twee meisjes, weet u. Het had niet mooier kunnen verlopen. Eerst de zonen. Dan de dochters. We zijn gezegend, mijn echtgenote en ik. Jakov is dertien, hij wordt volgende maand veertien. Hij is mijn spiegelbeeld: een lefgozer die op school erg populair is. Ik mag dat zeggen, ik was ooit net als hij. Jakov heeft vele vrienden, zoals ik vroeger. Hij legt snel contact. Een sociale jongen. We moeten oppassen dat hij niet te snel contact legt, ook niet met meisjes, u begrijpt wat ik bedoel. Ik heb vroeger rustig mijn tijd afgewacht. Maar mijn echtgenote en ik zijn in de jaren zeventig getrouwd. Sinds die tijd is alles veranderd, de wereld gaat te snel, en Jakov houdt van snel. Hij is zeer pienter. Hij wil altijd nieuwe dingen uitproberen en houdt van spanning. En dus zal hij grenzen aftasten, het leven uitdagen. Ik weet niet of Jakov u nodig zal hebben. Hij is eigengereid. Maar toch zouden wij willen dat u hem zijn leerstof regelmatig ondervraagt. Hij heeft lessen in discipline nodig. U moet streng voor hem zijn, maar niet te streng, u zoekt de gulden middenweg.’
Ik knikte nadrukkelijk en enigszins verveeld. Ik wilde zijn zonen, die voorbeeldige jongens, liever zien in plaats van naar zijn loftuitingen te luisteren, maar dat durfde ik niet te zeggen.
‘Elzira en Sara heeft u al gezien,’ ging Mijnheer Schneider verder.
Ik werd gewaar dat ik weer zat te knikken.
‘Elzira is onze oudste dochter, Sara onze jongste kapoen. Elzira is in augustus twaalf geworden. Net geen twee jaar jonger dan Jakov is ze. En ik zal het in hun bijzijn nooit hardop zeggen, maar Elzira is slimmer dan haar twee broers tezamen. Alleen kan ze zich niet lang concentreren, ze wordt snel nerveus en dat baart ons zorgen.’
Hij stopte even. Er liep een lange jongen door de tuin.
‘Op school heeft men ons aangeraden om psychologische tests te laten uitvoeren, en dat hebben we gedaan. Er scheelt niets aan haar. Ze is alleen een beetje anders.’
En weer stopte hij even.
‘U zal vooral tijd aan Elzira moeten besteden, onze dochter mist zelfvertrouwen, weet u, zoals alle tienermeisjes, natuurlijk. Ze is erg onzeker, en Simon en Jakov ondermijnen dat wankele vertrouwen nog, al proberen we onze garçons erop te wijzen dat ze dat niet mogen doen, nietwaar. Ik kan u een voorbeeld geven: Jakov weigert met Elzira te schaken, hoewel ze geen slechte tegenspeelster is. Hij wil niet met haar spelen omdat hij op voorhand weet dat ze de helft van de pionnen omver zal stoten…
Ik zal het u, in groot vertrouwen, laten weten: Elzira heeft, die diagnose is officieel gesteld, dyspraxia. Ik weet niet of u die aandoening kent. Haar handicap – maar zo noemen we die aandoening nooit in haar bijzijn – heeft niets met haar verstand te maken, nietwaar. Haar motoriek slaat geregeld op tilt, c’est tout. Ze kan geen fijne bewegingen maken en ondervindt evenwichts- en coördinatieproblemen. Ze heeft een tremor, zoals mensen met de ziekte van Parkinson die hebben, nietwaar. Haar handen trillen soms, ze kan haar spieren niet controleren, ze laat veel vallen en kan daardoor klunzig overkomen; het ene gebied in haar hersenen communiceert niet altijd even vlot met het andere, zo moet u het zich voorstellen, als een kortsluiting, maar met haar intelligentie heeft die onhandigheid niets te maken, nietwaar, ik zeg het nogmaals, ik zou het de hele tijd willen zeggen, met haar intelligentie is niets loos.’
Ik was rechter gaan zitten omdat Mijnheer Schneider almaar sneller was gaan praten, en omdat hij almaar vaker ‘nietwaar’ zei.
‘U weet natuurlijk, juffrouw, dat een persoon, wil hij of zij zich ontplooien, niet zonder zelfvertrouwen, motivatie en ambitie kan. Wel, wij zijn bang dat onze dochter zich, door dat zogenaamde gebrek, in zichzelf terugtrekt en angstig wordt. Ze mag niet achter hinken op de andere leerlingen van haar klas. Dat zou haar onrecht aandoen. Wij willen niet dat ze lijdt. We willen niet dat ze een gespreksonderwerp wordt. Dat is uw voornaamste opdracht: geduldig zijn met Elzira, haar laten excelleren.’
Zijn ogen waren vochtig geworden en hij kuchte tussen zijn zinnen, maar zijn vaart minderde hij niet.
‘En dan last but not least: Sara, zonder h. Sara is nog maar acht. Ze is turnkampioene, zo lenig als een slang. We weten niet van wie ze dat bizarre en nutteloze talent heeft geërfd, niet van mij in elk geval, en mijn echtgenote heeft vele talenten, maar lenigheid van het lichaam is daar geen van. Als het van Sara afhangt, is ze alleen met sport bezig. Dat kan uiteraard niet, niet bij ons. Wij wensen haar in geen geval in die richting te stimuleren. Zelfs niet als ze de potentie zou hebben om wereldkampioene gymnastiek te worden. Wij willen dat ze haar hoofd traint. Nu is ze nog maar acht. Maar straks is ze achttien, begrijpt u, ik neem aan dat u me begrijpt.’
‘Ja,’ hoorde ik mezelf zeggen.
‘Ik zal, juffrouw, voor de zekerheid nog even samenvatten wat we van elkaar verwachten: wij van u, onze kinderen van u, wij allen van elkaar,’ ging hij verder. ‘Wij geven onze zonen en dochters aan u. En u geeft hun aandacht. U helpt hen met hun schoolwerk. U bent hun tutor. U volgt het schema van hun lessen en houdt zich daaraan. U zorgt ervoor dat zij met verve slagen, nietwaar. En wij vergoeden u voor al uw inspanningen, u houdt een lijstje bij, daarop schrijft u de uren waarop u gewerkt heeft, en daarnaast beschrijft u, en mots clés, keywords, hoe u die uren met hen heeft gevuld, is dat afgesproken? Kunnen mijn echtgenote en ik op u rekenen?’
Ik werd ijl in het hoofd. Ik zat naar Mijnheer Schneiders litanie te luisteren en verlangde naar de frisse lucht van buiten. In het kamertje was het bedompt geworden. Op het brede balkon schuin boven mij schudde een vrouw een vaatdoek uit. Ik bedacht dat Mijnheer Schneider telkens mijn echtgenote had gezegd en nooit ‘mijn vrouw’.
Ik schuifelde op mijn stoel. Ik wilde de vier graag ontmoeten. Met Mini en Maxi praten. En die fantastische zonen in levenden lijve zien. Daarnaast wenste ik dat mijnheer Schneider mij een aantal vragen zou stellen. Ik had niet voor niets een serie antwoorden op ingebeelde vragen gerepeteerd: wat vindt u van uw loon, wat zijn uw sterkste en zwakste kanten, hoe goed is uw taalbeheersing, en leg eens uit waarom u denkt dat u voor onze kinderen de juiste persoon bent…
Mijnheer Schneider begon opnieuw te praten. Hij liet doorschijnen dat ik de baan al had en dat ik met onmiddellijke ingang kon beginnen. Deze houding, waarin hij een besluit had genomen zonder me te vragen of ik dit werk wel zag zitten, maakte me opstandig. Ik vond dat het tijd was om naar huis te gaan. Nog voor ik aanstalten had gemaakt om op te staan, werd er op de deur geklopt. Een vrouw met een schort om haar mollig middel geknoopt en het haar verborgen onder een geruit kapje kwam met een plateau de kamer binnen. Ze zette twee dampende koppen koffie en twee spieën kaastaart voor ons neer en verdween weer, zonder iets te zeggen.
‘Kent u de mop van Moos die op zijn sterfbed ligt en zijn zakenpartner Amos bij zich roept?’ vroeg Mijnheer Schneider toen. En hij begon te vertellen. Over de stervende Moos die niet wil doodgaan zonder dat hij aan Amos, zijn zakenpartner, vergiffenis voor bepaalde feiten vraagt.
‘Weet je nog toen onze eerste zaak failliet ging? Dat was mijn schuld, Amos, en ik heb er spijt van. Ik heb in de boekhouding geknoeid. Ik heb vals gespeeld en geld verdoezeld.’
‘Ik vergeef je, Moos,’ suste Amos.
Moos: ‘En die auto die ’s nachts in de prak gereden werd. Dat was ik, Amos, ik had mijn bril niet op, en ik had te veel gedronken, …’
‘Laten we dat vergeten,’ zei Amos.
‘Die keer dat er honderdduizend frankt ontbrak in de kluis: ik ben diegene die dat geld eruit heeft gehaald, ik moest de gokschulden van mijn zoon vereffenen.’
‘Ach,’ zei Amos, ‘trek het je niet aan, Moos, ik vergeef het je allemaal. Want weet je, het arsenicum waaraan je binnen een uur zult sterven, dat heb ik in je ontbijtkoffie gedaan.’
Na de mop proestte Mijnheer Schneider het uit. Omdat hij me verwachtingsvol bleef aankijken, lachte ik gemaakt met hem mee.
‘Ik verlaat u nu,’ zei hij toen al even abrupt als dat hij de grap was begonnen te vertellen. Hij had zijn taart niet aangeraakt.
Hij stond op, herschikte zijn keppeltje, dat met een haarspeldje vastzat aan zijn golvende kruin, en trok zijn jasje weer aan. Onder zijn oksels vertoonde zijn hemd kringen vers zweet.
‘Mijn echtgenote zal zo dadelijk met u komen spreken. Ik wens u veel succes.’
Automatisch stak ik mijn hand uit, die hij hartelijk schudde.
Ik kon me wel voor de kop slaan.