2007

‘Ik ben een gekneusde filantroop’

Met mensen loopt hij niet hoog op. Met katten des te meer. Of hij, die vijf jaar geleden de pen heeft neergelegd, het schrijven mist? ‘Neen, want nu heb ik eindelijk rust’. Op het pluche bij

Ward Ruyslinck (76); de auteur die in de loop van vijftig jaar veertig boeken schreef, maar, ‘ach ja’, vooral geassocieerd wordt met ‘Wierook en Tranen’ (1958), ‘Het Reservaat’ (1964) én de verplichte literatuurlijst.

Tekst: Margot Vanderstraeten

Foto: Stephan Vanfleteren

Zes katten heeft hij: drie katers (Pino, Bertje en Socks die inderdaad veel op ex-president Clintons gelijknamige kat lijkt) en drie kattinnen (Laura, Olga en Nana).

Vooral Olga, de oudste van de zes, kruipt graag op zijn schoot en schurkt zich veelvuldig tegen zijn borst aan. Als de auteur de kat vijf minuten geen aandacht geeft, strekt ze haar nek naar hem uit; en streelt Ruyslinck haar vacht, telkens opnieuw, van kop naar rug tot staart. Het lijkt er ook op dat de katten de auteur op het gemak stellen: bij vragen die minder prettig zijn, staat hij herhaaldelijk op uit zijn comfortabele bank op, en gaat hij op zoek naar de katten die altijd vlakbij zijn.

‘Ik ben dol op katten. In die mate zelfs dat ik me al heb afgevraagd waarop die liefde gebaseerd kan zijn. Als ik gelovig zou zijn, zou ik er mijn hoofd om verwedden dat ik in een vorig leven een driftige, onbesneden kater ben geweest. Want ik heb opvallend veel kenmerken met deze dieren gemeen. Net als katten kan ik geen rumoer verdragen; heb ik een rustige omgeving nodig, een eigen plek waar niets of niemand me stoort. Katten worden onrustig als er storm in de lucht hangt. Ik heb dezelfde eigenschap. Kijk naar me. U zult merken dat ik een winderige dag als vandaag me rusteloos maakt; niet vanbinnen, vanbuiten. Ik ijsbeer. Ik kan niet blijven stilzitten. Aanhankelijkheid is nog zo’n gemeenschappelijke karaktertrek van de kat en mij. En: wij zijn alleen maar trouw aan mensen die een goed luchtje hebben’.

Uw heel oeuvre geeft blijk van een groot wantrouwen tegenover de maatschappij en de mens. Hebt u nog hoop op een betere wereld?

Niet echt. De jaren hebben me cynisch gemaakt. Als jongeling denk je dat je de wereld kunt veranderen; als veertiger merk je dat er weinig verandert; en op mijn leeftijd heb je door dat de wereld niet alleen dezelfde blijft, maar ook nog verergert. Je hoeft maar even naar de wereld te kijken, om te zien dat er talloze zaken flagrant verkeerd lopen. Ik zie veel beangstigende ontwikkelingen. Niet alleen de toenemende overheersing van de technologie en de daarmee gepaard gaande ontmenselijking. Die is al erg. Maar daarnaast ervaar ik ook, zoals ik dat noem, de ‘sektarisering’ van de maatschappij. Want het moet je toch opvallen dat onze samenleving uiteen valt in allerlei tegengestelde groepen. Niemand die nog gewoon mens is. Een mens is tegenwoordig pro-of anti-Amerikaans, voor of tegen abortus, conservatief of progressief, homo of hetero, roker of niet-roker, pro-islam of tegen islam, … Die versnippering is begin jaren zeventig ontstaan, en sindsdien alleen maar verscherpt. Voor de jaren zeventig waren er natuurlijk ook al maatschappelijke tegenstellingen, maar veel minder; de ideologische of sociale samenhorigheid was toen overal voelbaar aanwezig. In de huidige maatschappij ontbreekt die samenhorigheid, en is het de onverdraagzaamheid die regeert.

Die onverdraagzaamheid komt uiteraard niet zomaar uit de lucht vallen: hij wordt op vernufte wijze geïnjecteerd. Kijk naar de geschiedenis: het antisemitisme is niet uit het niets ontstaan. De Duitsers hebben de haat tegen de joden voorbereid en geprogrammeerd. En neen dus, ik heb geen hoop op een betere wereld. De wereld zal niet beter worden. Ik erger me dan ook mateloos aan ‘optimistische’ uitlatingen als: ‘maar die technologie is toch pure vooruitgang’ of ‘ we zijn toch nog nooit zo oud geworden en zo gezond geweest als vandaag’! Dat zijn uitlatingen van dove en blinde optimisten uit het Westen. Over welke vooruitgang hebben ze het? Die van het welzijn en het comfort? Terwijl veertig procent van de mensheid in hutten, krotten en sloppen woont? Welk fysiek welzijn bedoelen ze? Dat van de aids-epidemie die wereldwijd elke dag duizenden slachtoffers maakt?

Zegt u nu dat een optimist nooit een kritisch denker kan zijn?

Ik heb de pest aan optimisten; het zijn vaak egocentrische, bekrompen mensen die hun eigen welbehagen en veiligheid als norm hanteren.

Met mij gaat het goed, dus gaat het goed met de wereld. Optimisten stellen zich tevreden met hun bestaan en ze schermen dat bestaan af tegen alles wat hun stemming zou kunnen bedreigen. Dat noem ik lafhartig: ze durven het leven niet aan hun bed te laten komen.

Doemdenkers, pessimisten, zijn van een ander slag. Doemdenkers zijn meer sociaal gerichte mensen. Ze hebben meestal een groot verantwoordelijkheidsgevoel, vertonen veel engagement, leggen een ruime belangstelling aan de dag voor de wereld waarvan ze deel uitmaken. Ik ben zo’n pessimist; in het echte leven en in mijn romans. Ik verzet me tegen recensenten of collegae die me onnadenkend een misantroop te noemen. Ik ben geen misantroop; ik ben een gekneusde filantroop. Ik houd van mensen, maar mijn liefde zit vol deuken. Hoe kan het anders? Vandaag hoor ik mijn vader, na de bevrijding, nog altijd zeggen: ‘de oorlog is voorgoed voorbij. Zoiets gruwelijks kan nooit meer gebeuren’. Maar zijn zin was amper vervlogen, of daar was Korea, Viernam, Irak, Iran, Soedan, Rwanda, en zo kan ik nog even doorgaan. Ben ik een pessimist of een realist als ik zeg dat de enige les die hieruit te trekken valt is: ‘we leren het niet’. Sta me toe een kwatrijn van de dichter Herwig Hensen op te zeggen; zijn woorden zitten al een leven lang in mijn geest opgeborgen. ‘Dit is een voze wereld van geweld, van ontrouw, leugen en moreel der horden; alleen wie toeslaat en omhoog kruipt telt, en het zal wel niet meer anders worden’.

Bent u misschien ook daarom gestopt met schrijven, ruim vijf jaar geleden? Omdat het voor een cynicus als u geen zin meer had en, misschien ook dat, omdat u het leven, de recensenten en het lezerspubliek, niet meer aan uw bed wilde laten komen…?

Neen, in geen geval. Ik ben gestopt omdat ik het niet meer kon. Het is de natuurwet die speelt: zo rond mijn zeventigste werd ik gewaar dat mijn creativiteit opgebruikt was. En zonder creativiteit, zonder de elasticiteit van de geest, kan een mens niet scheppen. In de zes jaar dat ik niet meer schrijf, heeft dat gevoel zich trouwens alleen maar versterkt. Mijn concentratievermogen en mijn geheugen zijn verzwakt. Dat is een feit, en daar valt niets aan te doen. Mijn geheugen, en dan vooral mijn korte termijngeheugen, laat me meer en meer in de steek. Dan heeft Monika (zijn echtgenote) me iets verteld, en dan herinner ik me dat even, of een dag later niet meer. Daar schrikt ze dan van: ‘maar schatje, weet jij dat niet meer?’ Neen dus.

Schrijvers gaan niet dood

Vergeet niet dat ik een heel leven geschreven heb, en dat ik op dit moment echt geniet van de rust van ‘het niet-schrijven’. Schrijven is een vermoeiende bezigheid. Je bent altijd met je personages op de zwier, je denkt constant na over mogelijke ontwikkelingen in het verhaal, je zoekt de juiste woorden, de juiste sferen,… Die stress is vandaag weg, en met die nieuwe rust die aangebroken is, ben ik blij.

U werd in de jaren 60 en 70 volop gewaardeerd, u was een succesauteur. Maar na die hoogjaren werd uw werk lauwer onthaald. Is het niet teleurstellend om ‘uit te bloeien’ en misschien wel vergeten te worden?

Waarom zou ik teleurgesteld zijn? Omdat ik twee boekenplanken volgeschreven heb en omdat ik enkele, gewaardeerde bestsellers op mijn naam heb staan? De Ontaarde Slapers, Wierook en Tranen, Het Reservaat? Omdat ik nog altijd vind dat mijn uitvoerige novelle ‘De verliefde akela’ (1973) het beste van mezelf weergeeft, omdat hij op perfecte wijze de verstrengeling tussen droom en werkelijkheid weergeeft, op zo’n manier dat ik zelfs al schrijvende niet meer wist waar nu de grens tussen droom en werkelijkheid lag. Moet ik teleurgesteld zijn omdat de naam Claus de afgelopen weken elke dag minstens één keer in jouw krant, die ook de mijne is, stond; zo vaak en zo veel dat ik ben gaan vermoeden dat zijn naam het wachtwoord van jouw redactie is? Moet ik rancuneus zijn omdat Vlaanderen, de media in Vlaanderen, menen dat hun taalgebied maar twee overleden (Boon en Elsschot) en één levende auteur heeft; net zoals ze menen dat datzelfde taalgebied maar één acteur heeft, Jan Decleir? Ik ben al decennialang abonnee op deze krant; het is de eerste keer in meer dan vijftien jaar dat ik aan het woord gelaten wordt. Of dat pijn doet? Neen. Maar ik ben wel blij dat ik nu mijn zegje mag doen.

 

Schrijvers gaan niet

 

De geschiedenis toont trouwens aan dat het niet de kleinsten zijn die vergeten worden. Een grote mijnheer als Walschap is voor de media blijkbaar het vergeten waard. Paul Snoek wordt nooit meer genoemd. Voor Hubert Lampo geldt hetzelfde, niemand spreekt nog over hem. Johan Daisne, idem dito.

En ja, het klopt dat veel mensen me aanspreken met met: ‘oh, u bent de schrijver van Wierook en Tranen’. Enerzijds vind ik die eenzijdige kijk op mijn oeuvre natuurlijk wel jammer, maar anderzijds ben ik ook trots dat ze kennen van die roman die zeker niet mijn beste is.

De roep om aandacht en erkenning mag nooit de drijfveer van een schepping zijn. Ik kende maar eén juiste beweegreden om te schrijven: het verlangen me te uiten over iets dat me bezwaarde, over iets dat ‘mijn geluk’ in de weg. En er stond altijd wel iets mijn geluk in de weg. Ken je de uitspraak van Greene uit The Heart of the Matter: ‘Toon mij een mens die gelukkig is, en ik zal u bewijzen dat geluk bestaat uit zelfgenoegzaamheid, egoïsme, kwaadaardigheid en volmaakte onwetendheid’. Ik sluit me hier graag bij aan, op die kwaadaardigheid na, die vind ik overdreven.

Het maatschappijkritische proza dat ik beoefen, is niet meer van de tijd. Misschien keert die tendens op een dag weer terug. Misschien ook niet. Maar meer dan eens kunnen diegenen die bij leven verguisd werden, postuum op waardering rekenen; kijk naar Kafka, Van Gogh, …. Het omgekeerde gebeurt uiteraard evenzeer: hoeveel kunstenaars die bij leven gevierd en gelauwerd werden, zijn na hun dood volstrekt vergeten.

76 jaar geleden werd u geboren als Raymond De Belser. Intussen gaat u al bijna zestig jaar als uw pseudoniem Ward Ruyslinck door het leven. Houdt u meer van Ward dan van Raymond? En heeft Ruyslinck karaktertrekken die De Belser niet heeft?

Maar neen. Ruyslinck en De Belser zijn twee vruchten van dezelfde boom. Mocht ik in mijn beginjaren niet vooral schrijvers van de oudere generatie (toen Willem Elsschot, Marnix Gijsen, Stijn Streuvels,…) gefrequenteerd hebben, dan was ik misschien niet eens op het idee gekomen om voor een pseudoniem te kiezen. Het is dat deze heren van de Vlaamse literatuur allemaal een pseudoniem hadden. Mij leek het dus gewoon een wetmatigheid dat een auteur twee namen had: de naam die zijn ouders hem hadden gegeven hadden, en de naam die hij zichzelf gaf.

Hoe ik op Ward Ruyslinck ben gekomen? Als puber las ik de dichters Oosterlinck en Westerlinck graag, en van de uitgang ‘inck, mét ck’ vond ik dat hij goed in de mond en in de pen lag. Die keuze was dus snel gemaakt. Waar die ‘Ruys’ vandaan komt, weet ik niet meer;

ik denk dat ik hem op goed geluk heb gevonden. Maar mijn voornaam heb ik te danken aan de West-Vlaamse schrijver (Ed)Ward Vermeulen, die op zijn beurt ook een pseudoniem hanteerde: Warden Oom (1861-1934). Ik was in die tijd, ik spreek dan over ongeveer zestig jaar geleden, erg in de ban van de plattelandsromans die Warden Oom schreef. Zijn verhalen stonden bol van het West-Vlaams boerenleven, en van het sociaal engagement. Uit sympathie voor hem en voor zijn werk, heb ik mij naar hem genoemd. Plus omdat ik vond dat Ward een krachtige voornaam was, dat spreekt voor zich. Een stuk krachtiger dan ‘Monneke’ in elk geval.

Maar, wat ik hiermee wil aangeven: ik dacht aanvankelijk niet na over de consequenties van een pseudoniem. Ik had niet door dat een auteur, vanaf het moment dat zijn pseudoniem enige ‘naam’ krijgt, er ook levenslang aan vast hangt’.

‘Hebt u er ooit aan gedacht onder een andere naam uit te geven? Bijvoorbeeld omdat bepaalde boeken, met name De Speeltuin, misschien beter in anonimiteit verschenen was? (De Speeltuin (1999) is een bundel liefdesbrieven van Ward Ruyslinck en Monika Lo Cascio, zijn tweede en huidige echtgenote die jarenlang zijn minnares was. De bij momenten erg exhibitionistische tot gênante brieven verschenen na de dood van Ruyslincks eerste echtgenote, Alice. Alice pleegde in 1990 zelfmoord, ondermeer omdat ze zich geen blijf wist met Ruyslincks buitenechtelijke affaire met Lo Cascio, mvds)

Toen ik Monica leerde kennen, wist zij zelfs niet dat Ward Ruyslinck een pseudoniem was. Ik was voor haar Ward, en ik ben nog altijd Ward. Iedereen noemt me Ward, behalve mijn eigen, rechtstreekse familie, voor hen blijf ik Raymond.

Mijn twee identiteiten zijn in de loop van al die jaren volledig met me verstrengeld; het zal me nooit overkomen dat ik een belastingbrief met Ruyslinck teken; of dat ik een boek met De Belser signeer. En neen: ik heb er nooit aan gedacht om uit te pakken met een andere naam. Waarom zou ik? De Speeltuin was een boek dat er moest komen. Bij nader inzien hadden we het misschien beter niet uitgebracht. Maar gelukkig doet een mens niet altijd alles ‘bij nader inzien’.

Kon u, die in uw romans altijd partij kiest voor de zwakke, geen begrip opbrengen voor de verschoppeling die uw vrouw geworden was… Of houdt De Belser er dan toch andere ethische normen en waarden op na dan Ruyslinck?

U maakt een fout. U denkt dat de persoon die zelfmoord pleegt dat doet omdat hij of zij zwak is. Maar zo zit de werkelijkheid niet altijd in elkaar. Lees er het belangrijke boek ‘Le Suicide’ van de Franse socioloog Emile Durkheim maar op na. Een zelfmoordenaar handelt meestal in een crisismoment. Zelfmoord is geen keuze, maar de afwezigheid van een keuze omdat de zelfmoordenaar ten onrechte meent dat hij alleen op die manier aan zijn pijn kan ontsnappen. De gezinsdrama’s die zich de voorbije maanden in Vlaanderen hebben afgespeeld, horen in dezelfde categorie thuis. In het centraal station in Brussel, dààr vind je underdogs. Ze liggen op de grond en proberen zich te warmen aan de stinkende luchtblazers van de metro; ze zoeken een weg om te leven, ze overleven.

Ik heb er alles aan gedaan om mijn relatie met Monika te bespreken. Ik heb geprobeerd om Alice niet uit te stoten; om de verplichting die ik met mijn huwelijk was aangegaan, niet te breken, om vol te houden op een manier die ook voor mij draaglijk was. Ik wou een compromis, maar Alice niet.

Alice wist dat ik een minnares had. Ik heb in mijn leven trouwens veel minnaressen gehad. Voor ik Monika tegenkwam, was ik evenmin van de braafsten. Maar toen zag Alice al mijn escapades door de vingers. Wat wil je? Alice en ik waren zeventien toen we elkaar leerden kennen; en begin twintig toen we trouwden. Mijn vrouw was maagd toen ze trouwde, maagd én een ex-leerling van Les Soeurs de Notre Dame: ik kan je garanderen dat ze geshockeerd was toen ze ontdekte wat seks inhield. Ik trap niet na. We waren jong. We konden niet weten dat we spiritueel én seksueel niets gemeenschappelijks hadden.

Maar we wisten van elkaar dat we niet elkanders grote liefde waren: zij niet die van mij, en ik niet die van haar. Dat kan vandaag allemaal verwonderlijk of hypocriet klinken, maar vijftig jaar geleden was het schering en inslag om met ‘de verkeerde’ te trouwen en er het beste van proberen te maken. Ik kan je talrijke voorbeelden geven van collega-auteurs van toen die meer met andere vrouwen naar bed gingen dan met hun eigen vrouw.

Monika was en is mijn grote liefde. Ik heb haar ontmoet toen ik achteraan in de vijftig was. En vanaf het moment dat ik haar ontmoette, kon ik haar ook niet meer vergeten. We hebben jarenlang een affaire gehad, en Alice leek die te aanvaarden. Totdat ze eiste dat ik Monika zou opgeven.

 

 

 

Bevestigde u met uw affaire met Monika niet Greens uitspraak? Dat elke vorm van geluk in eigenbelang gedrenkt zit. Iedereen wist dat u de vrouw van uw leven had ontmoet, en dat u daar erg gelukkig mee was. Ook uw vrouw…

Ik ben een zwak, menselijk wezen net als iedereen.

Maar ik heb mijn geluk niet los van Alice willen koppelen. Ik heb met haar alle mogelijke wegen heb bewandeld om tot een vreedzame, beschaafde oplossing te komen. Alice was niet voor reden vatbaar, en ik ben iemand die het geloof in de rede aanhangt. Helaas. Ik ben er zelfs op individueel vlak niet in geslaagd om op een vreedzame manier tot een oplossing te komen. Laat staan hoe moeilijk en onmogelijk het is om de vrede op maatschappelijk vlak te bewerkstelligen.

Ik herinner me nog een dag waarop ik in de tuin, speciaal voor haar, een barbecue had georganiseerd, en waarop ze opnieuw uitzinnig werd en in een vlaag van woede zo’n vleesspies in mijn arm stak. Zulke daden van geweld zijn voor mij onherroepelijk: menselijke emoties moeten via de reden gekanaliseerd worden. In die tijd zou ze ook in staat geweest zijn me te wurgen, zo hoog liep de spanning op. Maar ze heeft zichzelf gewurgd.

We hadden in haar eerste zelfmoordpogingen een aankondiging voor de echte zelfmoord moeten lezen, maar dat is pas iets wat je achteraf bedenkt. Ik had nooit gedacht dat ze echt de hand aan zichzelf zou slaan. Haar vorige pogingen waren daarvoor te amateuristisch. De eerste keer heb ik haar met watten chloroform in de neus gepropt op het bed aangetroffen; de tweede keer liet ze zich diep in het bad laten wegzinken op een moment dat ik in de aangrenzende kamer zat en het gespetter van het water moest horen. De dag van haar dood had ik niets aangevoeld, we gingen zelfs ontspannen met elkaar om, en waren juist terug van een avondje uit in restaurant Noordland in Hoogstraten. We hadden lekker getafeld. Eenmaal thuis, ging ik nog naar het late journaal kijken. En zij zei: ‘ik ga zo naar bed, eerst nog een fles water halen’. Dat water stond in de garage.

Ik heb naar het journaal gekeken. Toen dat afgelopen was, dacht ik: ‘waar is Alice. Als ze water is gaan halen, blijft ze toch lang weg’. Ik ben gaan kijken. Ze hing daar. Opgeknoopt.

Voelt u zich schuldig voor haar dood? Ook omdat uw zoon, na haar dood, het spoor bijster raakte?

Neen. En met mijn zoon, die een begenadigd pianist zou kunnen zijn, gaat het inderdaad niet goed. We hebben al jarenlang geen contact meer met elkaar, en als we voordien contact hadden, dan verliep dat problematisch. Hij, Chris, is zwaar aan de drank, hij was dat al voor zijn moeder stierf. Mijn zoon is geestelijk niet goed in orde. Ik moet dit misschien niet vertellen, maar na de dood van zijn moeder heeft hij me op een nacht naar het leven gestaan. Hij was ’s nachts in mijn woning in Pulle binnengedrongen en wilde me ombrengen. Hij wilde me in mijn slaap verrassen, maar ik ben wakker geworden. Hij heeft naar een buste gegrepen, en die met volle kracht naar mijn hoofd gesmeten. Ik heb nog net op tijd kunnen wijken. Omdat hij door zijn alcoholverslaving over een wankele fysieke gezondheid beschikte, heb ik hem nadien kunnen overmeesteren. Die nacht heb ik dan ook de politie moeten bellen. En die nacht werd mijn zoon gearresteerd en vervolgens, op mijn vraag, ook ‘gecolloqueerd’. Hij heeft drie maanden in een afkickkliniek gezeten; maar geholpen heeft het niet. Daarna is hij nog meer gaan drinken.

Weet je wat me wel een groot schuldgevoel heeft bezorgd? De dood van mijn broer, daar heb ik zwaar onder geleden. Roland was vierentwintig toen hij aan een longoedeem stierf. Mijn broer was vier jaar ouder dan ik; we sliepen op dezelfde kamer in aparte bedden. Hij was een toffe jongeman; totaal anders dan ik. Hij was een gepassioneerd chemicus, en had in onze kelder zelfs een laboratorium gemaakt waar hij, tot grote vrees van mijn ouders, allerhande scheikundige experimenten uitvoerde. Op een dag kwam hij thuis van een rit met zijn fiets; hij had zich naar Antwerpen gehaast om daar zijn vriendin te gaan ophalen. Hij legde zich op het bed, en hij begon te reutelen. Op zijn mond stond schuim. We wisten niet wat te doen. Vader zei tegen mij: ‘kom, pak je fiets, haal snel een dokter’. Ik heb mijn fiets gepakt. Maar ik was totaal overstuur. En in mijn verwardheid wist ik niet meer waar de dokter woonde, en ben ik eerst naar de verkeerde arts gefietst. Pas een uur later kwam de dokter bij ons thuis aan. Toen was mijn broer al overleden. (zoekt kat)

Ik heb er achteraf met meerdere artsen over gesproken: ook als ik naar de juiste dokter was gefietst, ook als de arts binnen het half uur bij hem was geweest, zou hij zijn overleden. Hij had teveel van zijn longen gegeven; dat, in combinatie met zijn verkoudheid, heeft voor zijn dood gezorgd.

U kent het verdriet van het overlijden van een geliefde naaste. En toch lijkt u geen mededogen te voelen voor uw zoon die, bijvoorbeeld, de zelfmoord van zijn moeder niet kan verwerken? Of: voor uw zoon die via de toetsen op de piano probeerde te tippen aan de virtuositeit waarmee zijn vader het klavier van zijn tikmachine bespeelde…?

Chris heeft het talent om een goede pianist te worden, maar hij is het niet. Misschien ook omdat een operatie aan zijn pols (tendinitis) ervoor gezorgd heeft dat hij nooit meer zo virtuoos zal kunnen spelen als hij ooit kon. Dat kan. Maar hij is geestelijk gestoord, en die stoornis heeft hij niet aan mij, maar aan de drank te wijten.

Chris woont nu al een lange tijd in Polen. Hij is pas vijftig geworden, ik heb hem naar aanleiding van zijn verjaardag gebeld, ik heb hem willen spreken. Toen hij de telefoon opnam zei hij: ‘met ‘Chris Ruyslinck’. Ik zei: ‘Maar Chris, jij heeft toch niet Ruyslinck, jij bent De Belser’. Met ‘Chris Ruyslinck’ zei hij opnieuw. En opnieuw. En ik bleef zeggen dat zijn naam een leugen was. Tot een gesprek is het niet gekomen.

Ik ben niet ongelukkig in mijn huidig leven, mijn privé-leven loopt zelfs zo goed als ik me nooit had kunnen voorstellen. Het is mijn zoon die mijn grote zorg is en die hier, in Vlaanderen, een prachtige kleinzoon van eenentwintig heeft. Een kleinzoon met wie hij geen contact wil. Wat er ook gezegd en geschreven wordt over mijn zoon: ik draag hem nog altijd een warm hart toe. Maar dat betekent niet dat ik niet streng over hem mag oordelen. En dat betekent evenmin dat ik de waarheid moet opgeven, en die waarheid is, hoe tragisch ook, dat er in zijn hoofd ergens iets niet klopt.

Aan het eind van deze maand wordt de eerste winnaar van de Ward Ruyslinck-kortverhalenwedstrijd bekend gemaakt. U hebt deze wedstrijd samen met uw woongemeente Meise georganiseerd. Waarom doet u dat? Kon u niet, zoals dat gebruikelijk is, wachten tot na uw dood? Totdat iemand anders dat te uwer nagedachtenis in het leven roept?

Ik heb me heel lang tegen deze wedstrijd verzet. Ik vind dat je dat niet doet, een wedstrijd onder je eigen naam organiseren, terwijl je nog leeft! Het is Monika die me overgehaald heeft, en Monika werd op haar beurt door de gemeente Meise overgehaald.

Intussen heb ik alle verhalen gelezen, en ken ik ook de genomineerden. Die verhalen mogen er zeker zijn; al moet ik zeggen dat er geen uitschieter tussenzit.

Beetje morbide als slotvraag misschien, maar wat wilt u later, veel later, op uw grafsteen?

Ik wil niet doodgaan, laat staan dat ik een grafsteen ambieer. Ik ben bang voor de dood. Elke ongelovige is bang voor de dood; omdat er daarna niets meer is. Niets. Einde. Gedaan. Begraven worden is nog zoiets dat me de stuipen op het lijf jaagt. Ik ga nooit naar een begraafplaats of een kerkhof. Ik bezoek geen enkel graf. Niet naar dat van mijn ouders. Niet naar dat van mijn broer. Niet dat van mijn eerste echtgenote. Als ik voor een graf zou staan, zou ik uitgevreten lichamen zien, skeletten waaraan geknaagd is. Mij moeten ze cremeren. En bij mijn assen hoeven geen woorden geschreven te worden. Ik heb bij leven al genoeg woorden geschreven.