I’m the king of the weewees

1. Mijn kartonnen muziekske

,,Kom, ik laat hem je zien, mijn eerste accordeon. Hij staat in de tuinkamer, op de kast. En kijk ondertussen maar goed rond, want mijn vrouwke is een genieke. Ze heeft het hele huis gedecoreerd, alles wat je hier ziet, maakt deel uit van haar chefs-d’oeuvre. Dat is nogal iets, nietwaar, al die fotolijsten die aan de muren hangen, die op alle kasten staan en op elke tafel liggen — een heel leven, hé mijn lieveke, tachtig jaar Toots.

Mijn eerste liedje heb ik in de Hoogstraat in de Brusselse Marollen gespeeld. Op d’Uugstroêt numero twie-onnert-ien-en-vieteg om precies te zijn. Want daar baatten mijn ouders hun café uit, ‘t Trapken af. Elke zondag kwam er een accordeonist spelen. Zijn vingers dansten, en ik raakte betoverd door de klanken die de man uit zijn instrument toverde. Ik heb toen ook een accordeon gekregen. Deze hier. Op dit kartonnen instrument, gemaakt voor een dreumes, speelde ik, Jean Baptiste Thielemans, op mijn stoeleke deuntjes voor mijn ouders. De bijnaam Toots kwam later, toen de muzikanten Toots Camarata en Toots Mondello in mijn leven verschenen.

Later, toen we in Molenbeek woonden en vader en moeder in In ‘t Boerinneke stofjassen en voorschoten sneden, naaiden en verkochten, heb ik ook voor mijn zeven jaar jongere zusje Mariette muziek gemaakt. Ik geloof trouwens dat ik toen al begrepen had dat ik over de gave beschikte om muziek te maken en te voelen. En dat het belangrijk was niet te kopiëren. Een kopie is een kloon, en een kloon staat nogal dicht bij een clown, hé. Goede muzikanten leren van elkaar, maar ze kopiëren niet van elkaar.”

2. Mijn eerste mondharmonica

,,’Le Thiel, il va jouer’, riepen de jongens op het speelplein van mijn school in Koekelberg als ze zagen dat ik mijn mondharmonica uit mijn binnenzak tevoorschijn haalde. Een prachtige herinnering. Als ik begon te spelen, moet je weten, troepte er altijd volk om me heen. De jongens lieten hun voetbal links liggen en smeekten me om met mijn klein mondmuziekske hun favoriete liedjes ten beste te geven. Het is dan het begin van de jaren veertig; ik wist nog niet wat jazz was. Het enige wat ik kon, was melodiekes naspelen die ik op de radio hoorde, en er een eigen draai aan geven.

Tja, en nu speel ik al zestig jaar. En kun je dat geloven? Dat ik nog altijd, keer op keer, versteld sta van de tonen die ik uit dit kleine en grappige instrumentje krijg. Ik weet het, er zijn mensen die mij daane zievereir mè za mondmuzikske noemen. Ik kan dat begrijpen. Muziek is maar muziek, en iedereen heeft zijn eigen voorkeur. Maar ik — o, wat hou ik van dit instrument dat anderen speelgoed noemen. Ik noem mijn mondharmonica mijn vijfde lidmaat, en zonder die lidmaat ben ik een gehandicapte. Moet je horen, het geluid dat eruit komt. Die klanken, lang en kort, die blues die erin zit, en al die gevoelens.

Als ik mijn mondmuziekske aan mijn lippen zet, is het alsof ik mijn vrouwke zoen. Dat is toch mooi, hé. Je hebt je geliefde in je handen, en die hangt letterlijk aan je lippen en ze stoot geluiden uit. Er bestaat nauwelijks afstand, want de klanken van een mondharmonica worden drie centimeter van je vandaan geboren, vlak bij je oren, onder je neus en tegen je mond. Dat is toch o zo veel dichterbij dan, ik zeg maar wat, een saxofoon, een trompet, een klarinet of een gitaar.

De mondharmonicafabrikant Hohner maakt nu al jarenlang twee Toots Thielemans-harmonica’s, speciaal aan mij aangepast. De mellow tone, zacht en rond, en de hard bopper, voor de hardere klanken. Ik hoef ook geen mondmuziekskes meer te kopen, Hohner stuurt ze me op, en op de verkoop in de winkels ontvang ik royaltiekes. Ik weet niet hoeveel harmonica’s ik bezit. Op elk toilet en in elke badkamer ligt er één, en ik heb altijd wel een of meerdere vijfde ledematen op zak.”

3. De ontdekking van de jazz

,,Louis Armstrong en de Mills Brothers, dat zijn de virussen die me in 1942 voor eeuwig met de jazzinfectie besmet hebben. Vinyl bestond nog niet, ik had een grammofoonspeler, die heb ik nog, en ik legde de naald in de groeven van de 78-toerenplaat, en ik hoorde, samen met het typische plaatgeruis, de stem van Louis Armstrong. Wat een belevenis, wat een ontdekking. Ik bezweek meteen voor Armstrongs mooie hese stem. Die stem nam me mee, letterlijk en figuurlijk. Want je weet dat ik, naast mijn Belgische nationaliteit, al vijftig jaar Amerikaans staatsburger ben. Ik moest naar de States en nu woon ik er al een dikke halve eeuw. Alleen omdat mijn taal en mijn muziek daar gesproken worden. Een veramerikaniseerde Marollien, zo noem ik mezelf altijd.

Maar toch, zelfs na al die jaren kan ik met een onbekende Amerikaan geen gesprek aanknopen, of hij vraagt me na tien minuten van welke staat ik afkomstig ben. Omdat hij toch een accentje hoort. Niemand spreekt dus dezelfde taal. Ook wij, jazzmusici, niet. Maar toch verstaan en begrijpen we elkaar, hé. Ga maar eens na: van Turnhout tot Aarlen, van Helsinki tot Detroit, van Los Angeles tot Molenbeek, alle jazzmuzikanten proberen de taal van de Afro-Amerikaanse muziek te spreken. BB King doet het op zijn manier, Ella Fitzgerald op de hare. Louis Armstrong doet het zus, Charlie Parker zo, Miles nog anders en ga zo maar door.

Ik ben bijzonder blij dat ik de Afro-Amerikaanse taal heb leren kennen. Dat ik de jazz ontdekt heb, of dat de jazz mij ontdekt heeft — want welk van die twee op mij van toepassing is, weet ik nog altijd niet. Beide, allicht. Zeker is dat Benny Goodman, the king of swing, me destijds heeft ontdekt. Ik was zijn gitarist tijdens een Europese tournee die meteen mijn internationale doorbraak betekende. Begin jaren vijftig ben ik dan de oceaan overgestoken, met mijn gitaar weliswaar, want vanaf het moment dat ik de gipsy-gitarist Django Reinhardt had gehoord, heb ik mijn mondharmonica een tijdje opgeborgen.

In de States heb ik mijn idolen allemaal aan het werk mogen gezien. En ik heb aan de zijde van alle grote namen gespeeld. Niet omdat ik het zelf vroeg, maar omdat zij mij vroegen. Ella Fitzgerald, Dizzy Gillespie, Sarah Vaughan, Charlie Parker, noem maar op. Ja, ook met mijn eerste goeroe, Louis Armstrong, heb ik achter de microfoon gestaan. In een commercial die precies 28 seconden duurde, en die nog altijd tot de mooiste halve minuten van mijn leven behoort.” 

4. De slavernij

,,Ik vraag me vaak af in welke wereld ik zou hebben moeten leven als er niet eerst de slavernij was geweest. Want dankzij de slavernij is de taal ontstaan waarin ik me het best uitdruk. En niet alleen ik. Michael Jackson zou niet hebben bestaan, de Beatles al evenmin, want wat zouden ze hebben gespeeld? Welke liedjes zouden ze hebben geschreven? Niets, zonder die invloed van de Afro-Amerikanen. De wereld zou geen gospel kennen, zou niet weten wat blues is. En misschien zou Louis Armstrong wel nooit de trompet hebben ontdekt.

Kun je je dat voorstellen? Dat de Afrikaanse slaven niet naar Amerika zouden zijn verscheept, en dat wij ons tevreden zouden hebben moeten stellen met pure Afrikaanse muziek. Die gigantische schending van de mensenrechten, die tragedie, die beteugeling van de vrijheid, die massale onderdrukking — die gebeurtenissen hebben aan Brazilië de bossanova gegeven, en ze hebben ons Chuck Berry gegeven, en Count Basie, Ella Fitzgerald, John Lee Hooker, Little
Walter, Muddy Waters, Duke Ellington, Fats Navarro, John Coltrane, … En mezelf, den Toots.”

5. Ne me quitte pas

,,In 1977 heb ik voor het eerst het gevoel gehad dat ik mensen kon ontroeren. Dat ik ze kon doen huilen en lachen, dat ik me op het terrein kon begeven dat zich tussen die twee emoties bevindt. Het was in Luik, tijdens een hommage aan Jacques Brel. De RTBf had me gevraagd of ik wou meewerken aan een uitzending die als een eerbetoon aan Brel bedoeld was.

Heb je een Kleenexke? Dan speel ik het nummer voor jou. ‘Ne me quitte pas’, dat nummer zit vol blues, je voelt de pijn, de verlatingsangst, de sterke liefde. Ik geloof ook dat dat een verdienste van jazzmusici is: een goede jazzmusicus kan klassieke muziek spelen, terwijl ik nog geen klassieke muzikant heb ontmoet die zich goed kan uitdrukken in de taal van de jazz. Kijk, als ik Brels ‘Ne me quiiiiitte pas’ speel, dan lopen de tranen als vanzelf over mijn wangen. Ik kan niet anders, dat geluid is zo dichtbij, die gevoelens. Jazz geeft je de mogelijkheid een melodie te spelen, ik kan ne me quii-iite pas lang rekken, maar ik kan het ook snel spelen, alnaargelang van mijn gevoelens. Jazz biedt me die vrijheid. Bach doet dat niet, zijn akkoorden zijn afgemeten en alle noten liggen veel meer vast. Eerlijkheid en spontaniteit, dat zijn twee sleutelwoorden in mijn muziek.

Die avond in Luik stond de hele zaal recht. En iedereen maar klappen. En sniffen. Ik ook, van het lied, ah ja. Maar ook omdat ik voor het eerst besefte waartoe ik en mijn speelgoedje in staat waren.”

6. Overgevoelig voor Afro-Amerikaanse muziek

,,Mijn ouders waren socialisten, altijd in de weer voor het werkvolk. Mijn hele jeugd was nogal rood gekleurd, en als we thuis al gelovig waren, dan was dat en Dieu, mais pas aux robes noires. Maar al van kindsbeen breng ik veel respect op voor de gewone werkende mens. Op kondeese dat em ni zievert, è, want je werk keurig en goed afleveren is een eerste vereiste. Aan die voorwaarde moet ook mijn werk voldoen. Mijn gave voor de muziek moet toch ergens vandaan komen? Ik heb er niet voor gestudeerd, het was er gewoon. Net als bij Van Gogh, die is toch ook niet op school schilder geworden, hé? Hij heeft die gave gekregen.

O ja, I became a believer, je suis devenu croyant, ik ben gelovig geworden. Maar wat sommigen godsdienst noemen, is voor mij dankbaarheid. Ik ben een dankbaar en tevreden mens. Want ik heb het geluk gehad twee fantastische vrouwkes naast me te hebben. Mijn eerste vrouwke, dat aan kanker is overleden, en daarna Huguette, mijn schoon baroneske. En dan mag ik mijn teergeliefde zus Mariette niet vergeten, want zij is ook een schitterende vrouw.

Ik heb het geluk dat ik als een heel gevoelige jongen ben geboren. Als iemand die de Afro-Amerikaanse muziek aanvoelt, iemand die met kippenvel door het leven gaat. De jazz vervult me van top tot teen. Hij brengt me naar hogere sferen, daarvoor heb ik geen drugs nodig. Toots, do you want a toot? is natuurlijk een bekend grapje in het jazzcircuit. A toot is slang voor een lijntje cocaïne, maar dat heb ik niet nodig. Dat de jazzwereld bijna automatisch met drugs geassocieerd wordt, stoort me overigens. Ja, natuurlijk heb ik muzikanten gezien die aan drugs deden — toen ik met Charlie Parkers All-Stars speelde, bijvoorbeeld, of naast Miles, … Maar wie ben ik om daarover te oordelen, om daar kritiek op te uiten?

Er zijn evenveel, of nog meer muzikanten die niets van drugs moeten weten. Ik heb maar één keertje marihuana gerookt, en dat is heel lang geleden, in The Keystone Corner in San Francisco. En weet je wat zo grappig is? Het toiletraam van die jazzclub geeft uit op het parkeerterrein van de politie. Kun je je dat voorstellen? Maar goed, het gevolg van die joint was dat ik bijzonder spraakzaam werd, en toen ik met het Toots Thielemans Quartet het podium op moest, begon ik te vertellen in plaats van te spelen. Zo van: ‘Hi, I’m Toots, I’m from Belgium.’ Zeker tien minuten aan een stuk. Tot achter in de zaal iemand riep: ‘Hey, Toots, why don’t you play something?’ en ik weer tot de orde van de dag werd geroepen.

Ik probeer zoveel mogelijk uit mijn muziek te halen. Daarom blijf ik alsmaar bijleren. Die stapel cd’s die daar ligt, die zal ik deze week nog aandachtig beluisteren. Er zit trouwens een stel goede Belgische muzikanten tussen, Ben Sluijs en Erik Vermeulen. Je kent ze niet? Ja maar, ja maar, dan wordt het tijd dat je ze leert kennen. Uitstekende musici zijn het, van wie ik nog altijd kan leren. Je hoort dat ze naar school geweest zijn, dat ze een goede opleiding hebben gehad. Mijn opleiding was het podium. Ik ging meteen professioneel spelen. Maar dat is iets wat elke goede muzikant van zichzelf weet: dat hij zijn vak nooit voor honderd procent beheerst en dat hij altijd beter kan worden.”

7. Baron Stink

,,Quincy Jones, de goeroe van Michael Jackson, is een goede en onvervangbare vriend van me. Niet omdat hij bekend is, maar wel omdat we elkaar al dertig jaar kennen en waarderen. We schrijven en bellen elkaar regelmatig, ik hem om hem op de hoogte te brengen van het reilen en zeilen in mijn leven, en hij mij om precies dezelfde reden.

 

Toen de koning me afgelopen zomer met de titel van baron vereerde, hing ik uiteraard ook aan het toestel. ‘Oh gosh’, riep Mister Q uit, ‘but can I still call you baron Stink?’ Ha, die Quincy noemt me altijd Stink, en dat is voor mij een schitterend compliment. Want, zo vindt hij, ‘my music has the aroma of a black man who needs a shower.’ Dat is toch fantastisch? Die Mister Q, die komt van Ray Charles, en die noemt mij dan weer Mister T. Ken je hem, die Mister T van televisie?
Een schitterende kerel, a black guy.

Ik heb ontzettend veel respect voor mijn zwarte broeders. Zij ook voor mij. Toen ik Quincy vertelde dat mijn moeder een Antwerpse was, schudde hij bedenkelijk het hoofd. ‘You are not from Antwerp’, zei hij, ‘I think your mother must have spoken to one of our brothers.’ Ach, zulke uitspraken maken me blij en brengen de tranen in mijn ogen. En ik weet het, de mensen zullen zeggen: daar is hij weer met zijne Quincy. Maar, this is my world, daarin leef ik, daarin speel ik, dat ben ik.
Weet je dat ik een gat in de lucht spring als Quincy mij a motherfucker noemt? Dat hij mij aanspreekt met het slang van de Afro-Amerikanen, allez, dat is toch mooi, hé! Maar ik neem dat accent en die lelijke woorden niet over. Dat kan niet. Daarvoor heb ik te veel respect voor de black men. Die taal is hun territorium en daar kom ik niet aan.”

8. King of the weewees

,,Natuurlijk vind ik het prettig om de titel van baron te dragen, en voor mijn vrouwke Huguette is het ook een gunst om als barones door het leven te mogen gaan. En weet je dat ik binnenkort van de universiteiten van Brussel — en dan, heel uitzonderlijk, zowel van de Franstalige als van de Nederlandstalige — de eretitel van doctor honoris causa zal mogen ontvangen? Niet te geloven, hé. Ikke, de Marollien die op zijn derde met zijn accordeon begonnen is, die vijftien jaar later een harmonica heeft gekocht, daarna gitaar is gaan spelen en uiteindelijk toch weer naar dat kleine rechthoekje heeft teruggegrepen? Die dingen maken mij gelukkig. Of kijk naar de Hollanders, ze hebben me op het North Sea Jazz Festival een Edison Award gegeven, hij staat daar in de kast. ‘Onze Toots’, noemen ze mij, en dan lopen mijn traantjes weer, hé.

Weet je, de enige titel die ik mezelf lachend toebedeel, is die van king of the weewees. I am the king of the weewees — Amerikanen kunnen dat zo mooi zeggen, nietwaar, I put my weewee everywhere. Ik laat overal mijn plasje, of beter gezegd mijn sporen na. Bij Paul Simon, bij Stevie Wonder, Billy Joel, in Sesamstraat, maar bijvoorbeeld ook bij Helmut Lotti — die ik ook bewonder, net als Will Tura overigens, en ook Bobbejaan Schoepen.

De namen en telefoonnummers van alle muzikanten met wie ik speel — en dat zijn er bijzonder veel — zijn opgeborgen in mijn Palmke. Ja, in het begin was ik er wat bang van, van die hoogtechnologie. Maar nu sta ik zonder dat handcomputerke vrijwel nergens meer. O ja, als je een complete kijk wilt hebben op de plekken waar ik mijn weewee allemaal achterlaat, dan moet je naar mijn website, www.tootsthielemans.com, heel mooi, als de server niet platligt, ten minste.”

9. Myself, no less, no more

,,Bij de titel van baron hoort een wapenspreuk. Die van mij wordt: Myself, no more, no less. Ik moet nog de goedkeuring krijgen, want normaal gezien zijn alleen het Frans en het Nederlands geoorloofd. But I am an American, oh yeah. Dus dat moet kunnen. Ik bedoel dat ik altijd in mezelf heb geloofd. Vertrouwen in mijn eigen kippenvel. Dat is niet gemakkelijk, hoor. Want ook in mijn leven is niet alles van een leien dakje gelopen, en ze brengen het succes niet op een blaadje, nietwaar?

Maar als mensen kritiek op je uiten, en je voelt dat er ergens iets niet klopt, dan moet je de moed hebben om hen erop te wijzen dat hun kritiek onterecht is. En je moet verder werken, aan jezelf, je moet je eigen kippenvel volgen en je niet laten beïnvloeden door wat de buitenwereld denkt, schrijft en zegt. Als je iemand tegenkomt, dan heb je dat toch ook? Het klikt of het klikt niet, en dan kan er nog altijd een derde persoon komen zeggen hoe het moet, als de goede vibes er niet zijn, is alle moeite vergeefs. Daarvoor hoef je zelfs geen woorden te wisselen, je voelt met je kippenvel aan of iemand je bevalt of niet.

Zelfvertrouwen. Geloven in wat je bent, denkt en doet — dat is de enige manier om jong en fris te blijven. En om eerlijke muziek te maken.”

10. And I say to myself …

,,Mijn idolen zijn dood, allemaal gestorven en sommigen zelfs een stuk jonger dan ik. Maar ik speel en leef nog, omdat ik nog gezond ben. Daar heeft zelfs een hersenbloeding niets aan kunnen veranderen. En ook de zware darmoperatie niet die ik een tijdje geleden heb ondergaan. Als ik straks naar New York vlieg, ben ik blij dat ik dat nog kan, op mijn leeftijd. Na 11 september zal het wat spannender zijn, maar kom. Als mijn tijd komt, zal hij komen.

Mijn hersenbloeding heb ik overleefd. Als ik loop, en ik probeer zo galant mogelijk te stappen, dan zie je wel dat mijn linkerbeen wat trekt. Mijn linkerhand wil ook niet helemaal meer mee, maar toch kan ik nog altijd de noten spelen die ik wil spelen. Omdat ik heel graag wil. Graag willen, dat is voor een stukje slagen, nietwaar? Kijk, volgend jaar in april word ik tachtig. En vandaag nog reis ik met mijn mondmuziekske de wereld rond, en krijg ik maar niet genoeg van die fantastische Afro-Amerikaanse muziek die me keer op keer raakt. Een liefde die me sinds de Duitse bezetting niet meer verlaten heeft, want het is in die periode dat ik voor het eerst door de jazz werd gegrepen.

En wat een eer en erkenning ontvang ik dezer dagen! Ik speel een hele week in de grootste jazzclub ter wereld, de Blue Note in New York. Ik kan het zelf nauwelijks geloven, maar het is waar. Ik heb zelf nog naar de club gebeld, om te vragen of de optredens niet afgelast zijn. En als je naar de club belt, speelt er in de hoorn een cassette af. Daarop word ik aangekondigd, ik hoor mijn eigen naam vernoemen. Ikke, kun je je dat voorstellen? Ah, ik heb weer een Kleenexke nodig.

Weet je, zolang ik gezond genoeg ben, probeer ik noten te spelen. En ik weet niet of het toevallig is of niet, maar ik speel heel vaak en heel graag een van de laatste opnamen van Armstrong. And I said to myself: what a wonderful world.”