Mustafa Kör en zijn vrouw, Silvia: ‘De symboliek druipt van ons af. Ik, de dichtende man met het gebroken lichaam. Zij, de vrouw die van lichamelijk vuur haar beroep heeft gemaakt. Tussen ons in, altijd, de poëzie, het leven.’

Tekst: Margot Vanderstraeten

Foto’s: Karoly Effenberger

Nu woensdag is het Internationale Dag voor Personen met een Handicap. Wereldwijd zijn er pakweg één miljard mensen met een handicap, dat is ongeveer 14 procent van de bevolking .  Op 3 december worden de problemen en obstakels waarmee deze bevolkingsgroep dagelijks te kampen heeft, extra onder de aandacht gebracht.

In Vlaanderen zal de Federatie voor Gehandicapten, in aanwezigheid van de nodige notabelen,  in elke provincie de dichtbundel ‘Ontdooid’ officieel voorstellen. Mustafa Kör, die zelf het titelgedicht schreef,  is de peter van dit project. Hij verzamelde tientallen mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking om zich heen en begeleidde hen in hun soms maandenlange zoektocht naar een hoogstpersoonlijke, woordelijke uitdrukking van ‘hun ware aard’.  Zoals een van hen het verwoordde: ‘Mensen denken dat we samenvallen met onze handicap. Dat is natuurlijk een misverstand dat zowel grappig als triestig is.’ Körs echtgenote, Silvia Bovens die als artiestennaam Silvia LeOn heeft, zal op de voorstelling in Brussel enkele gedichten dansend interpreteren. Ontdooid is een goed gekozen metafoor. De organisatie wil dat vooroordelen en stigma’s wegsmelten. Maar tegelijkertijd wil ze niet dat de politiek deze bevolkingsgroep  – en zijn nijpende noden – in de diepvriezer stopt.

Het is geen toeval dat Kör als spilfiguur van deze Internationale dag optreedt. Hoewel de 38- jarige schrijver van twee romans nog geen dichtbundel op zijn eigen naam heeft, wordt hij door lezend Vlaanderen als dichter gezien. Kör: ‘Ik weet niet hoe dat  komt. Ik schrijf poëtisch. Ik leverde aan allerhande bundels en publicaties talrijke bijdragen. Ik werd stadsdichter van Genk. Ik ben altijd met poëzie bezig. Ik praat er altijd over. Over Rumi, de grote soefidichter, kan ik niet zwijgen. Een bundel op mijn naam komt er spoedig, ik heb genoeg materiaal, er ligt veel klaar.’

Los van dit dichterschap heeft Kör zich de afgelopen jaren, willens nillens, ontpopt tot een woordvoerder van mindervaliden in een rolstoel. Deze sleutelrol hangt samen met een artikelenreeks in de Standaard. Voor die krant rolde hij vorig jaar met het openbaar vervoer van Opgrimbie naar De Panne. Over zijn ervaringen bracht hij gedurende een week dagelijks verslag uit. Sindsdien blijft het reacties regenen, van lotgenoten en sympathisanten, van politici en media. Met als gevolg dat Jo Vandeurzen (Minister van Welzijn, CD & V) en Ben Weyts (Minister van Mobiliteit, N – VA) niet langer om hem heen kunnen. Mustafa Kör: ‘Ik heb de indruk dat we, als het op toegankelijkheid van openbaar vervoer aankomt, een scharnierpunt staan. Maar ik blijf op mijn hoede. Ervaring heeft me geleerd dat in dit land die hele politieke machine nog verlamder kan zijn dan mijn onderlichaam.’

Laten we een dans door jullie leven maken. Jij leidt, Mustafa.

Mustafa Kör: Silvia is de danser.

Silvia LeOn: Mustafa danst in zijn hoofd. Hij beweegt met taal.

Hoe komt het dat dat hoofd niet bij de pakken blijft zitten, en ook niet aan cynisme onderhevig is?

Mustafa Kör: ‘O, maar cynisme heeft me in zijn greep gehad hoor. Een paar jaar geleden maakte ik een erg moeilijke tijd door. Mijn lichaam was verlamd én kapot: doorligwonden, breuken doordat de botten van mijn benen poreus geworden zijn, en veel pijnen en krampen. Hoort allemaal bij een gebroken rug, en zal er altijd bij horen, maar toen verzorgde ik mijn lichaam onvoldoende, je leert dat, aan je verlamde en breekbare lijf  gehoorzamen.

Los daarvan zat ik er ook mentaal door, mede omdat ik mijn ouders alle twee snel na elkaar heb verloren, dus ook die grond zakte onder mijn voeten weg. Die depressieve periode is gelukkig voorbij. Ik heb me als mens en als man zelfs nog nooit zo volwaardig gevoeld als nu. En de taal helpt me daarbij, ja. Ik ben beginnen te lezen toen ik in de rolstoel belandde.

En ik ben beginnen te schrijven toen ik gek werd op deze wielen die me zo beperkten.

Mijn geest zat vast. In mijn rollende lichaam. Tot ik me via mijn pen leerde uitdrukken en me aan dat touw optrok uit mijn dal.

Silvia LeOn:  ‘Ik heb niet die dichterlijke kant die Mustafa zo kenmerkt.  Maar toch doen we hetzelfde, alleen met een ander instrument. Ik vertel via de flamenco. Mijn lichaam is mijn communicatiemiddel.

In mijn hoofd ben ik constant met dans bezig. Flamenco is mijn deeltijds beroep. Ik geef dansles, voordrachten en treed op. Er zijn dagen waarop bruis van ideeën die ik liefst zo snel mogelijk wil uitwerken. Met poëzie en literatuur is dat niet anders. Je moet hard werken. Je moet je vak onder de knie krijgen en op niveau houden.  Pas dan kun je gaan experimenteren met je inspiratie. Daarom probeer ik ook elk jaar masterclass te volgen bij een van de beste choreografen van Spanje; voor mij is dat Javier Latorre in Sevilla. Om je verhaal zo goed mogelijk te vertellen, moet je studeren. Moet je je verdiepen in het genre. Het heeft ook met mijn opleiding te maken. Als musicologe wil ik de geschiedenis van de dans kennen, en zo nieuwe inzichten verwerven.’

Moet je ook levenservaring hebben? Emotionele diepte?

Mustafa Kör: Bij mij wel. Ik was tweeëntwintig toen ik indommelde achter mijn stuur en op de Duivelsberg in Maasmechelen – ik had naam van de onheilsplek niet zelf kunnen verzinnen – uit de bocht vloog, over de kop ging, en uit de wagen werd geslingerd.

Volgens de ambulanciers lag ik, schijnbaar ongedeerd, tientallen meters verderop in het grasperk. Ik lag daar alsof ik aan het slapen was. Ik had geen schram. Toen ze me wilden optillen, bleek mijn rug gebroken. Mijn vel hield de twee helften aan elkaar. De perfecte dwarslaesie, zei de chirurg later.

Ik weet dat het raar zal klinken, maar als ik niet verlamd was geraakt, zou ik misschien nooit kennis hebben gemaakt met mijn ware aard. En zou ik misschien nooit de literatuur hebben ontdekt. Mijn romandebuut, De Lammeren, is verschenen toen ik bijna tien jaar in de rolstoel zat. Ik heb in de schepping troost ontdekt en ik heb die troost nodig.

In die zestien jaar dat ik aan de rolstoel ben gekluisterd, ben ik het leven gaan interpreteren als een kust, een kust waaraan ik al achtendertig jaar woon. Ik heb er zware stormen meegemaakt. Maar ik heb ook de zekerheid dat de zee op een dag parels meebrengt.’

 

Silvia LeOn: ‘Ik ben anders gaan dansen sinds ik Mustafa ken. Logisch, ik ben veranderd, dus mijn dans ook. Mijn bewegingen zijn minder hoekig geworden. Zeker sinds we ons kindje hebben, onze zoon is nu één jaar. Dat moederschap, die intieme band, lees je alleen al uit de taal van mijn handen. Die is rustiger, voller, completer misschien. En nee, als ik dans, denk ik niet aan het feit dat Mustafa dat niet kan. Ik zie hem nooit als een man die niet kan lopen. Ik denk nooit aan zijn beperkingen. Hij is de man van wie ik hou. Een sterke persoonlijkheid. Een mooie man, vanbinnen en vanbuiten. Hij doet ook alles zelf, op koken – het fornuis is te hoog –  en poetsen na. Maar ik geloof dat dat voor vele mannen geldt.

Het is vooral de samenleving die ons op de feiten, zijn beperkingen, wijst. Zo is het pijnlijk dat je, als je je in een rolstoel verplaatst, minstens vierentwintig uur op voorhand je trein moet reserveren. Anders is er geen begeleiding, en geraak je niet op een perron, laat staan in een wagon. Maar niet alleen systemen, ook mensen maken me verdrietig. Het valt me op dat vele café-en restauranthouders aan hernia lijden. Vooral als wij voor hun deur staan, en niet zonder hun hulp binnen kunnen raken. ‘Sorry, ik kan niet helpen, hernia.’ Ik kan daar erg droevig om worden. Soms haal ik uit. Vaker spreek ik een voorbijganger aan die wél wil helpen om de rolstoel over de drempel te dragen. Mustafa sust me in zulke situaties. Hij is hierin veel sterker dan ik.

Ook daarom ben ik blij dat ik flamenco, een dans waarin alle emoties een plaats hebben, heb ontdekt. Ik heb hier thuis een kamer waar ik dans. Mustafa hoeft maar een bepaald lied te horen, of hij weet al of hij me best even alleen laat. Net zoals ik weet wanneer ik hem en zijn pen alleen moet laten.’

Jullie hebben een zoontje.  Doelde je ook op hem toen je zojuist zei dat je je nog nooit zo volwaardig man hebt gevoeld als de jongste tijd?

Mustafa Kör: Het vaderschap maakt me compleet, ja. Maar toch bedoelde ik  met ‘volwaardig’ niet het viriele aspect van het man-zijn.  Natuurlijk ben je blij dat je vader kunt worden. Die kleine brengt elke dag de lach in ons leven. Dat is heerlijk. Voor hem is mijn rolstoel een natuurlijk iets. Je moet hem eens zien. Als hij wil dat Silvia hem oppakt, strekt hij zijn armpjes naar de hemel. Als hij door mij opgepakt wil worden, zet hij zich schrap als een welpje dat bij het nekvel opgepakt wil worden. Hij weet zo goed dat ik hem bij zijn shirtje zal grijpen, hem op mijn schoot zal zetten en hem met de rolstoel zal verderrijden.

Ik zie de wereld vanaf dezelfde hoogte als een kind.  Ik heb, o ironie, dus vooral zicht op benen. Ik heb nu een infantiele bewondering die ik als een valide, lopende persoon vermoedelijk niet zou hebben. Zand tussen mijn tenen kan ik niet meer voelen. Maar ik kan het zand, zonder me te hoeven bukken, tussen mijn vingers laten sijpelen. Ik zit dichter bij de aarde, in alle opzichten. Mijn zintuigen hebben zich beter ontwikkeld. Ik heb meer oog en oor voor al het mooie dat elke dag in de aanbieding heeft. Ik ruik beter. Mijn leven is verfijnder en genuanceerder  geworden. Dat bedoel ik als ik zeg met ‘ ik ben nog nooit zo volwaardig man geweest als nu’. Ik heb een vorm van ‘zijn’ gevonden waarin ik kan vliegen. A la Rimbaud: ‘Ik heb koorden gespannen van toren tot toren; guirlandes van raam tot raam; gouden kettingen van ster tot ster, en ik dans.’

Heb jij voor een danseres gekozen omdat jij, lichamelijk gebroken, die ode aan het leven nooit meer zal kunnen brengen? Is haar danstaal de ultieme poëzie?

Mustafa Kör: ‘Dansen is de ultieme vorm van leven, een oerexpressie. Het is niet de ultieme poëzie.

Maar met poëzie heeft dans het buikgevoel gemeen. Gedichten komen tot je. Een geïmproviseerde dans ook. Als ik aan een gedicht werk, begint dat vaak met een woord of een zin die ik cadeau krijg. Zoals een bloemist een boeket maakt, vertrekkende van een kleur of een specifieke bloem, en plukkend en schikkend tot hij een ruiker heeft, zo maak ik een gedicht, en zo danst Silvia.
Maar de definitieve vonk is niet tijdens haar dansen op me overgeslagen. We waren al enige tijd een stel. Ik had haar al een paar keer zien optreden. Prachtig, die techniek, die ik toen nog niet als kunstvorm inschatte en waarover ik soms, in vergelijking met andere kunsten, zelfs een beetje laatdunkend kon doen. Pas toen ik van haar een lezing over traditionele flamenco bijwoonde, kantelde alles vanbinnen. Ze stond op een podium, in haar jeans, dus zonder flamenco-outfit. Ze had, klein en frêle als ze is, een manier van zijn over zich die je kunt vergelijken met die van een stier die klaar staat om de arena te betreden. Met haar kennis en passie blies ze iedereen en vooral mij omver.’

Vlinder-Homepage

 

 

 

 

Silvia LeOn: ‘Vanaf het eerste moment dat ik hem zag, was ik verliefd. Ik had niet eens door dat hij in een rolstoel zat. Die eerste ontmoeting vond trouwens op Gedichtendag plaats, symbolischer kan haast niet.

Mustafa Kör: ‘Als ik de bepaalde klassieke flamencomuziek hoor, die gitaarklanken en die raspende stem en dat ritme, zit ik ook weer in Anatolië waar ik geboren ben. Er bestaat in Turkije een weemoedig oergezang, Uzun Hava genaamd, dat ik ook in de Spaanse zigeunerliederen hoor weerklinken. Mijn moeder zong die Uzun Hava – letterlijk ‘Lange Adem’ – soms.  Historisch gezien zou dat verband kunnen kloppen. De Moorse wereld en de Oriënt zijn onder andere in Spanje samengevloeid.  Maar bij Silvia en haar muziek ervoer ik dus een soort thuiskomen. Ook via de poëzie van Garcia Lorca. De pen van deze Andalusiër beïnvloedde de flamenco,  en vice versa. Ik houd ervan als Silvia op zijn woorden, die veel gezonden worden, danst.

Kun jij je benen weer voelen als Silvia een zapateado ten beste geeft, zo’n vurig voetenwerk?  Is dat een wens?

Mustafa Kör: ‘Nee, dat is geen wens. Ik ben mooi zoals ik nu ben. Ja, ik mis het om tegen een bal te trappen, ik was een fervente voetballer. En ik mis het om te rennen tot je longen branden. Maar ik kreeg voor dat leven een ander in de plaats.

Ik heb tot drie jaar na mijn verlamming de reflex behouden om op te springen als er bijvoorbeeld iemand struikelt. Opdat ik die val zou kunnen breken. Die reflex zit in ons brein. Christopher Reeve,  de Superman die na een val van een paard vanaf de nek werd verlamd, wist dat heel goed. Hij wou juist die reflex niet meer kwijt en liet zich daarom regelmatig in beugels hangen, beugels waarmee de stapbeweging werd geïmiteerd. Zo lang een lichaam deze bewegingen uitvoert, slaan de hersenen deze informatie op. Het komt nooit meer in me op om op te springen.

Maar dat Silvia’s dansbewegingen mij tot leven wekken, zeer zeker. En met name haar voetwerk, ja. Voeten staan voor stabiliteit, mannelijkheid, zekerheid en kracht. Ik houd van de intensiteit die ermee wordt verbeeldt. Handen incarneren elegantie en sierlijkheid. Bij de mooiste dansen zit er een harmonie tussen die twee. ‘

Je gebruikt in de dichtbundel Ontdooid de term ‘wegkijkblik. Mensen wenden hun blik van de gehandicapte af, willen hem niet in de ogen kijken.

Mustafa Kör: ‘Ja. Ze willen de confrontatie niet aangaan.

Elke confrontatie met een gebrek is ook een confrontatie met de eigen kwetsbaarheid.

Die wegkijkblik zou mogen ontdooien, want hij maakt iedereen eenzaam, validen en minder-validen. ‘

Silvia LeOn: ‘Ik merk het vaak. Het gemopper van mensen omdat er iemand met een rolstoel het trottoir in beslag neemt. Ik begrijp dat gemopper niet. Waarom niet vriendelijk zijn? Waarom niet elkaar in de ogen kijken?  Iedereen kan in een rolstoel terecht komen. ‘

Screen Shot 2014-12-02 at 10.41.26

Mustafa Kör: ‘Tijdens het individuele coachproces van de dichters van Ontdooid werd de ernst van eenzaamheid scherp gesteld. Vele mensen met een handicap krijgen nooit iemand over de vloer, en worden nooit ergens uitgenodigd. We leven in een maatschappij waarin we geen oog meer hebben voor het leed en het wegkwijnen van de buurman omdat we zo nodig, met de rolluiken dicht, naar Netflix moeten kijken. Het is moeilijk om die mentaliteit te wijzigen.

Kijk jij soms weg? Van validen en/of minder validen?

Mustafa Kör: ‘Zeer zeker.  Zonder het te beseffen. Ik merkte het tijdens dat schrijfproces voor de bundel. Ik werkte bijvoorbeeld samen met een zwaar autistisch meisje. Iemand die echt niet in staat bleek tot het minimum van sociaal contact. Ze keek me niet aan. Ik keek van haar weg en ik dacht: ‘Mijn hemel, wie hebben we hier, hoe moet ik haar uitleggen wat dichten is. Hoe moet ik haar proberen aan te geven hoe je met woorden heel diepe gevoelens kunt uitdrukken.’ Tot ze begon. En tot ze me inzicht bood in haar unieke brein. Ik ben haar eeuwig dankbaar voor de spiegel die ze me heeft aangereikt. Alleen anderen kunnen je tot inzichten brengen. Die anderen: dat kunnen dus zeker ook gedichten zijn. Wie Ontdooid leest en openstaat voor de inhoud, zal nadien anders naar de wereld kijken, minder wegkijken.’

 

Ontdooid, onbeperkte poëzie is te koop in Standaard Boekhandel vanaf 3 december voor de prijs van 8,99 €. Een audioversie ervan kun je aanvragen via info@vfg.be. De bundel kan gratis beluisterd worden via een link van Anders lezen op www.vfg.be, waar ook hun programma voor de Internationale Dag voor Personen met een Handicap te vinden is. In zaal Agora van Muntpunt (Munt 6) in Brussel lezen en dansen Kör en Leon om 12 u 30.  Vlaams Minister van Cultuur, Jeugd en Medi,  Sven Gatz bijt om 13 u 30 de spits van de sensibiliseringscampagne af.

Mustafa