Margot Vanderstraeten interviewt: Jan Hoet

“Het was een wreed, wreed jaar “: Jan Hoet

Maar neen. Mijn hersenbloeding is ‘peanuts’ in vergelijking met al die ellende die er in de wereld gaande was en is. Ik vind de oorlog in Irak verschrikkelijk. Eigenlijk vind ik de hele huidige wereldpolitiek verschrikkelijk.

 

Neem Korea. Of de verhouding van Europa ten opzichte van de Verenigde Staten. Wat er ook gebeurt: alles draait om geld, geld en nog eens geld. Ik zie dat als een voorname kentering in de tijd. Er is in het Westen nog nooit zoveel geld en zogenaamde rijkdom en welvaart geweest als vandaag. Plus omgekeerd: ik heb ook nog nooit zoveel horen klagen over geld als vandaag. Dat vind ik triestig. Zelf zit ik niet zo in elkaar. Ik heb in al die jaren tijd noch zin of belangstelling gehad om me met persoonlijke verrijking bezig te houden. Wat ik gedaan heb, heb ik voor het museum gedaan. Maar binnen de kunstwereld word ik uiteraard wel met het grote kapitaal geconfronteerd. Ik kan duizenden voorbeelden opsommen. Ik geef er één: frappant en veelzeggend. Het bedrag van één miljard Belgische frank voor de zonnebloemen van Van Gogh was en is totaal buiten proportie. Pas op: laat het duidelijk zijn dat ik geen moment twijfel aan het inhoudelijk belang van dit werk. Alleen is elke zin voor verhouding volledig zoek, en dat stuit me, nu meer dan ooit, tegen de borst.

“Vandaag willen ‘collectioneurs’ maar één ding: hun aankopen zo snel mogelijk tegen een zo hoog mogelijke winst weer verkopen. Vreselijk vind ik dat. Zo pijnlijk treurig. Gelukkig is niet iedereen zo. Ik ken nog voldoende kunstenaars en kunstliefhebbers die vanuit de juiste instelling met hun vak bezig zijn. Al valt het op dat hedendaagse kunstenaars veel meer dan vroeger vanuit een individuele reflex werken. Het is heel moeilijk om bij de huidige en boeiende generatie algemene tendensen waar te nemen. Iedereen is voor en vanuit zichzelf bezig. Dat was een paar decennia geleden totaal anders. Denk aan de popart, aan de conceptuele kunst, aan minimal art. Al die kunstvormen gaven blijk van een collectieve reflex, een dialoog. De maatschappij is van het collectieve naar het individuele bewustzijn geëvolueerd. Ik zeg niet dat die evolutie goed of slecht is. Ik stel ze gewoon vast. Net zoals ik vaststel dat sommige kunstenaars – bijvoorbeeld Thierry De Cordier – er bijzonder goed in slagen om die nieuwe inhoudelijke context op hun eigen, idiosyncratische manier in te vullen.

“Het is natuurlijk niet alleen de kunstwereld die op losse schroeven staat. Diezelfde afwezigheid van evenwicht tref je tegenwoordig op allerlei fronten van de maatschappij aan. Doe je ogen maar eens open. Kijk maar eens goed rond. Het zal je opvallen dat mensen tegenwoordig liever en sneller hun teddybeer dan hun medemens omarmen. Een pluchen dier knuffelen is veilig, want het beest reageert niet, heeft geen stem, laat staan een mening. Die afkerigheid van, die verregaande angst voor het onbekende vind ik verbijsterend. Armoede? We doen liever alsof het niet bestaat. Of denken er, voor het heil van ons geweten, alleen tijdens de kerstdagen heel even aan. Vreemdelingen? We weten er niet mee om te gaan. Die afkerigheid maakt me kwaad.
“Ik probeer op mijn manier tegen die mallemolen in te gaan. Want dat is het leven echt: een molen die zot draait. Ik vind het buitengewoon belangrijk om die tred te doorbreken. En eigenlijk is dat niet eens zo moeilijk. Het is een kwestie van na te denken. Je verstand te gebruiken. Ik denk en ik handel. En in dat handelen leg ik mijn levensnoodzakelijke zin voor radicaliteit aan de dag, dat spreekt voor zich.
Ik geef een voorbeeld. Onlangs heb ik aan het S.M.A.K. een belangrijk werk van Luc Tuymans geschonken. Het schilderij heeft gemakkelijk een marktwaarde van 3 tot 400.000 euro. Maar ik hoef dat geld niet. Ik hoef niet rijk te worden op het dak van de kunst. Ik wil dat kunst een publiek goed wordt. Is. En blijft. Plus: met die schenking reik ik de wereld heel bewust een symbool aan. Een symbool dat tegelijkertijd als signaal fungeert; want de achterliggende boodschap is duidelijk een oproep tot verzet. Ik rebelleer tegen de macht van het geld. Dat heb ik altijd al gedaan. Ook vroeger, als kind. Ik kom uit een burgerlijk milieu. Door het beroep van mijn vader – psychiater – en door zijn hobby’s kregen wij al van kindsbeen toegang tot de kunst. Maar wat was kunst in die tijd? Een private aangelegenheid. De burgerij sloot zich af van de wereld. Wilde alles voor zich alleen. Tegen die bekrompen visie heb ik me altijd verzet. En ik geloof dat die houding ook tot mijn grootste verdienste in deze maatschappij heeft geleid: ik heb de kunst geïnstitutionaliseerd. En dan niet alleen rechtstreeks, via de tentoonstelling die ik georganiseerd heb, of via het S.M.A.K, maar ook onrechtstreeks. Rijd maar eens door het land. Hoeveel musea telt België intussen niet? De tijd is voorbij dat je naar een grote stad moet om kunstwerken te zien. In die algemene toename van musea heb ik zeker een indirecte rol gespeeld. Bovendien, en dat is al even belangrijk, is de interesse in de kunst overal gewekt. Sommige schoolklassen trekken elke maand naar een museum.”

‘Op 30 augustus ben ik in Italië ineengestuikt. Hersenbloeding. Ik heb in coma gelegen, en toen ik weer wakker werd bevond ik me in het UZ in Gent. Ik weet niet meer wat ik dacht toen ik uit de coma kwam. Het enige dat me nog heel helder voor de geest staat, is dat ik opgelucht was toen ik al dat medisch personeel rond me zag bewegen. Ik geloof zelfs dat ik toen geglimlacht heb. Want het heeft voor mij iets zeer geruststellends: al die schorten die plichtsbewust hun rituelen uitvoeren. Ik herinner me ook dat ik geprobeerd heb om de dokters en verplegers in de ogen te kijken. Ogen schenken me vertrouwen; zeker in ziekenhuizen. Vergeet niet dat ik in mijn leven al een paar ingrepen achter de rug heb. Ik ken de kneepjes van het vak.

“Bloed kan ik niet zien. Maar als het op mijn gezondheid aankomt, slaag ik er zonder enige moeite in om zeer nuchtere beslissingen nemen. Toen de behandelende arts me uitlegde dat er een aantal operatieve mogelijkheden waren, en toen hij bij elke mogelijkheid het risicopercentage gaf, heb ik hem droogweg gezegd dat hij ‘maar voor die ingreep met vijf procent risico’ moest gaan. Wat hij gedaan heeft. Na de operatie hoorde ik hem zeggen: ”t Is afgelopen, ‘t is gelukt.’ Het moet zo zijn dat zelfs anesthesie mij niet helemaal verdoofd krijgt.

“Na die 30ste augustus 2003 leefde ik met één grote angst, veroorzaakt door de afschuwelijke pijn. Tientallen hamers bonkten op en in mijn hoofd. En maar kloppen, en maar kloppen, en maar niet willen stoppen. Daar was ik toen bang voor. Dat die pijn niet zou wegtrekken. Ik heb natuurlijk pijnstillers gekregen. Die hielpen, maar de hamers bleven erop los slaan, en een heel leger drilboren bleef dreunen. Toen heb ik beseft dat hevige, constante pijn het ergste is wat een mens kan overkomen. En al is het nog heel ver van mijn bed: ik kan het belang van palliatieve zorgen niet genoeg benadrukken. Ik heb een groot respect voor de natuur. Ik zal niet ingrijpen in het leven dat de natuur in petto heeft. Een euthanasieverklaring hoef je van mij dus nooit te verwachten. Dat kan ik niet. Dat wil ik niet. Ook niet als ik dement zou worden, neen. Al moet ik daaraan toevoegen dat ik niet graag dement zou worden, dat staat vast. Maar toch. Laat het leven, en ook de aftakeling van het leven maar zijn gangetje gaan. Vanuit datzelfde respect voor de natuur zou ik ook nooit – niet dat die kwestie zich aangediend heeft – voor abortus hebben kunnen opteren.
Onmogelijk. Maar interpreteer me niet verkeerd: ik ben niet fanatiek in die zaken, en ik neem al zeker geen politiek standpunt in. Ik heb het volste respect voor mensen die een andere beslissing nemen.
“Ik vind dat ik, zowel lichamelijk als psychologisch, vrij snel over die hersenbloeding heen ben geraakt. Dat wilde ik ook zo. Ik kan het niet verdragen als iets of iemand me tot iets dwingt. Je ziet dat soms, bij ‘oudere’ mensen. Dat ze na een operatie of een ziekte niet meer dezelfde zijn als voordien. Dat er ergens iets gebroken is. Mij heeft na de operatie niemand gezegd dat ik veranderd ben. Gelukkig niet. Want dat vraag ik me natuurlijk wel af: hoe je, als er iets gebroken is, dat dan weer op eigen krachten gelijmd kunt krijgen.

“Op het vlak van de gezondheid is 2003 dan ook een cruciaal jaar in mijn bestaan. Ik, die mijn hele leven lang elke vorm van afhankelijkheid heftig bestreden heb, heb nu geen andere keuze dan met de beperkingen van mijn eigen lichaam te leren leven. Het maakt me niet opstandig, neen, maar het is wel even wennen.

“U moet weten dat ik al jarenlang met één nier leef, maar dat die ene nier sinds kort nadrukkelijk protesteert. Met als gevolg dat ik aan een kunstnier moet liggen. Levensbeperkend is de kwaal niet; volgens artsen kan ik zo nog makkelijk vijftien tot twintig jaar door. Maar door dit gebrekkige orgaan ben ik behalve zeven kilo vocht ook een belangrijk stuk van mijn onafhankelijkheid kwijtgeraakt, en dat is voor iemand als mij een enorme verandering. Want stelt u het zich maar eens voor. Elke maandag, woensdag en vrijdag breng ik van zeven tot elf uur ‘s ochtends in het ziekenhuis door, met twee naalden in mijn linkerbovenarm geprikt. De ene keer gebeurt dat in het UZ van Gent, de andere keer in het ziekenhuis bij Herford in Duitsland, waar ik drievijfde van mijn werktijd doorbreng en directeur van het toekomstige en nu al veelbelovende MARTa-museum ben. Hoelang deze nierdialysebehandeling zal duren, is me onbekend. Ik sta op een officiële Europese wachtlijst voor een donornier. Maar ook daar moet ik het antwoord schuldig blijven: ik heb er geen flauw idee van hoelang het nog kan duren voor ik een nieuwe nier krijg. Alles hangt van de ‘compatibiliteit’ tussen mij en de donor af. De centrale (gevestigd in Leiden, MV) waarbij ik mijn aanvraag heb ingediend, houdt bovendien rekening met alle gegevens van de vragende partij. Jonge mensen die op een transplantatie wachten, maken gelukkig meer en sneller kans om een nieuwe, gezonde nier te krijgen dan ik, een oude doch jonge man van 67. Dat vind ik goed. Want ook in de markt voor donororganen lopen de bedragen razendsnel alle spuigaten uit. In sommige landen, waaronder Turkije, speelt maar één element een rol: het bedrag dat er neergeteld wordt.
De alliantie die voor mij een nier zoekt (samenwerkingsverband tussen Joegoslavië, Oostenrijk, Duitsland en de Benelux, MV) hanteert geen economische maatstaven: ze houden rekening met de mens. Dat ik nu op een wachtlijst sta, houdt op zijn beurt dan weer andere – zij het luxueuze – beperkingen in. Ik zal de eerstkomende maanden geen verre reizen maken. Want zodra er een donornier aan je wordt toegekend, moet je paraat staan om onder het mes te gaan. Een orgaan laat je niet op je wachten, ah neen. Waaruit je dan weer niet mag afleiden dat mijn gezondheid mijn hele agenda bepaalt. Ik probeer mijn gang te gaan. Wat onder andere inhoudt dat ik in januari naar Bolzano ga, van Bolzano naar Insbruck vlieg, van Insbruck naar Frankfurt ga, en van Frankfurt weer Herford en vervolgens Gent opzoek. Life goes on, dat ligt voor de hand.”

‘Ik ben nogal een hardnekkige doorzetter, dat is waar. Maar aan de andere kant, en dat zul je misschien niet geloven, ben ik ook immens lui. En dan bedoel ik niet lui in de betekenis van nietsnuttend door het leven gaan. Ik ben lui in die zin dat ik me alleen voor die zaken inspan waarin ik goed ben, en die me na aan het hart liggen. De kunst dus. En voor de kunst kan ik nooit genoeg doen. Wil ik altijd meer verwezenlijken. Binnen die context moet je ook mijn uitstap naar de politiek (Hoet trad in 1994 op als kandidaat van de toenmalige CVP, MV) zien. Die politieke carrière was een pure, bijna machiavellistische zet. Er was maar één manier om echte levenskansen te creëren voor een Gents Stedelijk Museum voor Actuele Kunst: door de politiek vanuit de politiek met haar eigen wapens te bestrijden. Dat heb ik gedaan. En op de resultaten van die professionele zijweg ben ik vandaag nog altijd zeer trots.

“Kunst is altijd al de drijfveer in mijn leven. Ik heb een passie gevonden die mijn leven en mijn luiheid gevuld heeft. Ik zou niet weten wat er van mij geworden zou zijn, als ik de kunst niet had gehad. Dat vind ik dan ook het meest confronterende aan mijn, aan onze drie kinderen. Dat ik in hen eigenschappen van mezelf gewaarword. En o, wat kan ik dan bang worden. Wat kan ik bang worden als ik in hen iets van mezelf herken. Want niemand kent Jan Hoet senior beter dan hemzelf. Ik weet hoe flink ik soms met mezelf en met de wereld bots. Ik ken de charmes maar ook de gevaren van mijn eigen karakter. En ik weet met welke problemen mijn sterke maar soms ook zwakke karakter in deze wereld te kampen krijgt. Kortom: aan het leven van en met Jan Hoet zijn risico’s verbonden. Mijn zoon – Jan Hoet junior – is ook bezeten door het virus van de kunst. Hij heeft een galerie in Wortegem-Petegem, en zijn werk vervult me van trots. Hij heeft een oog voor kunst. Dat is knap. Dat is prettig om te zien. Maar toch kijk ik met schrik naar zijn keuze. Ik weet welke lelijke, vijandige gevoelens er in dat kleine wereldje kunnen woeden: afgunst, jaloezie, macht, hebzucht,… Ach. Daarom ben ik zo ontzettend opgelucht als ik in mijn kinderen evengoed kenmerken ontwaar die ze van hun moeder hebben geërfd. Mijn vrouw is een heel stabiel persoon; in denken en handelen. Zij heeft binnen het gezin altijd voor het onmisbare evenwicht gezorgd. Ik ben daartoe niet in staat. Ik ben de impulsiviteit zelve.

“Neen, de dood boezemt me geen angst in. Pijn lijden wel. En ik geloof dat ik niet langer kan ontkennen dat ik af en toe bang ben dat ik mijn optimisme zal verliezen. Die vrees is nieuw, die had ik vroeger niet. Ik twijfelde nooit aan de kracht van mijn nooit aflatende nieuwsgierigheid, en evenmin aan de energie die ik uit mijn kinderlijke verwondering kan en blijf halen. Die zekerheid wankelt nu af en toe, heel even, een fractie van een seconde maar. Dat heeft allicht te maken met ouder worden, en misschien ook met de bitterheid of de onverschilligheid die eigen is aan zoveel van mijn leeftijdgenoten. Maar ook jonge mensen kunnen bitter klinken. Weet je, vroeger was het een uitzondering als iemand zich hardop en zuchtend afvroeg ‘waar dit leven toch allemaal niet toe diende’. Vandaag hoor ik die vraag overal. Een fundamenteel pessimisme heeft zich van de mensen meester gemaakt. Daar hoed ik me voor. Want dat zou ik pas erg vinden: dat ik in die verstikkende val van het doemdenken zou trappen. Ik wil, ondanks de afhankelijkheid die me dit jaar te beurt is gevallen, in geen geval precies datgene kwijtgeraken dat me op de been houdt: mijn optimistische geloof in het leven. Misschien ook daarom dat ik het soms, opnieuw in een fractie van een seconde, benauwd kan krijgen van het idee dat ik na mijn opdracht in Herford misschien zonder werk zal komen te zitten. En met werk bedoel ik bezigheid. Bedrevenheid. Leven. Mijn contract met het MARTa-museum loopt tot mijn 72ste, dus ik zit er nog wel enkele jaren met heel mijn wezen aan vast. En toch overvalt de angst me soms om niets meer om handen te hebben. Al moet ik u nu al zeggen dat het MARTa-museum het meest dynamische museum van Duitsland zal worden. De romp van het nieuwe gebouw is klaar. Het is een geweldige ervaring om samen met de Amerikaanse architect Frank O. Gehry (onder andere van het Guggenheim Museum in Bilbao, MV) een gloednieuw gebouw te mogen neerplanten. Dat is een verschil met het S.M.A.K.: hier hebben we ook een nieuw museum uit de grond gestampt, maar het gebouw van het S.M.A.K. is uiteraard nog altijd dat gebouw uit de jaren dertig. In november 2004 openen we de eerste tentoonstelling. Ik kan de titel al verklappen: (My favorite) Heroes. Met werk van onder andere Panamarenko en Marina Abramovic.

“Dat vind ik zo mooi aan kardinaal Godfried Danneels. Dat hij, net als ik, helemaal fluit zoals hij gebekt is: als een optimist. Een gangmaker. Iemand die de mensen mee krijgt. Want leg mij maar eens uit hoe het kan dat zijn populariteit met de dag toeneemt, terwijl de kerken nog nooit zo leeg waren als nu? Die paradox vind ik ongemeen boeiend. De kardinaal is waarlijk een bijzonder geval. Hij kent de media door en door en bespeelt ze perfect. Je moet er maar eens op letten; hoe hij elke vraag in zijn voordeel weet om te draaien, en precies dat persoonlijke antwoord geeft dat hij wil geven. Kardinaal Danneels is een kunstenaar. Hij doet precies wat elke goede schilder, dichter of schrijver doet: zijn eigen individuele stem laten horen. Dat bewonder ik. Alleen moet hij ervoor oppassen niet ordinair, niet al te gewoon te worden. Want vanaf het moment dat een stijl of een uiting overduidelijk alleen nog maar bij die ene persoon past, kan er sprake zijn van ‘een kunstje of een trucje’ uit te voeren. Vergelijk het met Picasso. Die kon op een bepaald moment met de ogen dicht schilderen, zo gemakkelijk ging hem dat af. Die indruk krijg ik soms ook bij Danneels. Hij goochelt met woorden zoals Picasso met verf. Dat is een gevaar. In de kunst kan het, met oog op het resultaat, soms maar best niet al te makkelijk gaan.”

‘Natuurlijk heb ik ook voor dit nieuwe jaar goede voornemens. Ik ben gestopt met roken. En ik ben absoluut van plan om dat ook in 2004 zo te houden. Dat is niet eenvoudig. Tot voor kort rookte ik veertig tot zestig sigaretten per dag. En zeker op momenten van stress heb ik het aanvankelijk moeilijk gehad. Met nu en dan een toegeving tot gevolg. Nu niet meer. Ik raak geen sigaret meer aan. Mijn lichaam heeft me dat bevolen. Ik heb toch het gevoel dat 65 een keerpunt in een mensenleven is. Bij mij toch. Alsof het, als ik dan niet zou stoppen, weleens snel en definitief zou kunnen stoppen. Maar begrijp me niet verkeerd. Ik heb hoegenaamd geen spijt van die berg pakjes die ik gerookt heb. Ik heb van weinig zaken echt spijt. Wat dan weer niet wil zeggen dat ik een harde, gevoelloze man ben, want dat ben ik niet. Nu en dan stoort me dat weleens. Dat sommige mensen ervan uitgaan dat ik, omdat ik zelden een blad voor de mond neem, onmogelijk een kwetsbaar persoon kan zijn. Wel, ik beweer het tegendeel. Ik ben juist heel kwetsbaar. Neem de conflicten die ik in de loop der jaren met sommige kunstenaars heb gehad. Met Octave Landuyt bijvoorbeeld, of met Jan Vercruysse. Daar lijd ik onder, nu nog. Want ik heb maar één vorm van ijdelheid waarin met een mes gekerfd kan worden. En dat is de ijdelheid die ik put uit mijn relaties met kunstenaars. Dat de mensen over veertig jaar niet weten wie Jan Hoet senior is, kan me niets schelen.
Maar ik zou me verdomd nog al eens omdraaien in mijn graf als ik over veertig jaar zou horen dat ze zeggen dat die Jan Hoet het allemaal verkeerd heeft gedaan. Ik wil een rol spelen in het bestaan van kunstenaars. Ik wil dat ze tevreden zijn, dat ze graag met me werken, dat ze zich gewaardeerd en gestimuleerd voelen, dat we een akkoord hebben. Is dat akkoord er niet, dan snijdt de pijn. Weet je, soms is het balanceren op een slap koord. Neem van me aan dat het allesbehalve eenvoudig is om kritiek te uiten op het werk van een vriend. En geloof me als ik daaraan toevoeg dat het zeer moeilijk is om, in een relatie met een kunstenaar, de rol van vriend én gezaghebbende kunstcriticus met elkaar te combineren. De kans dat de vriendschap breekt, is in zo’n situatie pijnlijk reëel. Vandaag ben ik in relaties misschien wel wat milder geworden. Het zou kunnen dat ik ouder en wijzer geworden ben.”