Margot Vanderstraeten interviewt: Hugo Raes

Laatste interview met auteur Hugo Raes

Hugo Raes blikt terug op leven en schrijverschap

In de jaren zestig en zeventig werd Raes in één adem genoemd met Mulisch, Van het Reve, Wolkers, Hermans en Claus. Zijn gezondheid speelt hem echter te parten. ‘Mijn geheugen wil niet meer. En ik moet oppassen voor stress en aanwezige drank’. ‘ Een verbazingwekkend heldere Hugo Raes over zijn liefde voor de literatuur, de vrouwen, de drank en het denkend, voelend en vrijend individu.

Het was, zo enkele dagen voor zijn verjaardag, een belangrijk moment, toen gisteren het bijna volledige literaire archief van Hugo Raes (°1929) door de Literaire Kring Hugo Raes aan het AMVC-Letterenhuis (Antwerpen) werd geschonken. Wat er allemaal in de archiefdozen opgeborgen zit? Honderden foto’s tot tientallen manuscripten en typoscripten, vaak verschillende versies van eenzelfde roman of van dezelfde kortverhalen. Van Links van de helikopterlijn tot De vadsige koningen, van Een faun met kille horentjes en Reizigers in de anti-tijd tot en met Een aquarel van de tijd. Meer dan vierduizend brieven van en aan collega-schrijvers (onder meer van Hugo Claus, Gust Gils en Louis Paul Boon) zijn gearchiveerd en natuurlijk ook Raes’ briefwisseling met Anaïs Nin, de in Frankrijk geboren en naar Amerika uitgeweken schrijfster die furore maakte met erotische – en dus verboden – verhalen en die onder meer als muze van de Amerikaanse auteur Henry Miller én van diens vrouw June door het nachtelijke leven ging. Notitieboekjes ook. Bierviltjes vol aantekeningen. Uittreksels uit de achtergrond van zijn leven en werk. Tekeningen – Raes was een begenadigd tekenaar. Is. Zal misschien nog zijn.

“Zodra ik uit deze neurologische kliniek (Hoge Beuken, Hoboken, MVDS) ben, wil ik weer gaan tekenen en schilderen. Liever schrijf ik, ja. Maar ik denk niet dat dat nog lukt. Er is aan alles een einde, ook aan het schrijven. Het is mooi geweest. Ik heb mijn bijdragen geleverd. Het zou tegen de logica ingaan als ik nu, op mijn 78ste, opnieuw zou debuteren. Bovendien klopt het niet: het is niet waar dat waar een wil is een weg is. Ik wil wel. Maar er is geen weg meer.”

Hoewel. Want niet alles wat er aan Raes’ pen ontsprongen is, bevindt zich nu in het Letterenhuis, het centrale archief en documentatiecentrum voor de Vlaamse letteren. Twee voorlopig onuitgegeven typoscripten liggen nog in de lades van huize Raes. “Een kant-en-klare erotische roman en een afgewerkte bundel kortverhalen. Mijn uitgever Emile Brugman (Atlas) wil, en dat heeft me ontgoocheld, dat ik veranderingen aanbreng in de typoscripten. Maar ik weiger externe richtlijnen te volgen. Ik wil geen passages inkorten of schrappen. De boeken zijn goed zoals ze zijn. Mijn vrouw, Marie-Thérèse, moet lachen met die houding van me. Ze zegt: ‘Maar Hugo, hoe is het toch mogelijk: je geheugen is aangetast, maar die koppigheid van jou, die blijft precies integraal.'”

 

Het is de derde keer in een aantal jaren tijd – “hoeveel jaar kom ik hier nu al, ik weet het niet” – dat Hugo Raes enkele maanden in de neurologische kliniek Hoge Beuken in Hoboken verblijft. Bezoekuren moeten strikt worden opgevolgd en wie er binnen- en buitengaat, moet een code van vijf cijfers indrukken en niet alleen wachten tot de deuren opengaan, maar ook tot ze dichtgaan. “Opdat de patiënten niet naar buiten kunnen wandelen.”

Hugo Raes: “Toen ik hier voor het eerst lag – dat was na mijn trombose, nee, nadat ik van de trap was gestuiterd en niet meer bij bewustzijn kwam, of wanneer was het nu weer? In elk geval: ik was er die eerste keer zo erg aan toe dat ik geen bezoek wilde. Ik kon niet meer lopen of praten, ik schaamde me voor de situatie waarin ik was beland. Ik ben in leven en werk altijd een groot voorstander en pleitbezorger van de vrije wil geweest. Zelfbeschikking is het hoogste goed. Een mens moet zich vrijmaken van de banden die de maatschappij hem oplegt. Ik pleitte in de jaren zestig en zeventig al openlijk en fervent voor euthanasie en abortus. Ik heb, nog altijd, een hartsgrondige hekel aan elke aantasting van de individualiteit.

“Weet je, ik verbleef in deze kliniek toen Julien Schoenaerts hier ook was, hij is hier jammer genoeg zelfs gestorven (op 7 september 2006, MVDS). Ik ben op Julien toegestapt. Ik zei: ‘Julien, weet je nog de tijd dat we samen op stap geweest zijn.’ Hij sprak, met nog altijd diezelfde schitterende stem: ‘Dat moet dan heel heel lang geleden zijn.’ Hij herinnerde er zich niets meer van. Hij wist niet wie ik was. Niet dat we nog samen aan theaterstukken hebben gewerkt. Dat vond ik zeer confronterend. Als ik mijn vrienden niet meer herken, wil ik dood zijn. Ik ben lid van de vereniging Waardig Sterven. Ik heb een testament waarin bepaald is dat ik, in geval van onnodig lijden, zacht wil inslapen. Onnodig lijden is leven zonder dat je de wereld rondom je nog herkent.”

“Herinner je je mijn prozadebuut, De vadsige koningen? Dat heb ik bij De Bezige Bij ingediend op dezelfde dag als dat Jan Cremer er stond. De twintiger Cremer stond er in een aftandse jeans en met een T-shirt. Ik had, speciaal voor deze gelegenheid, waarbij ik mijn eerste prozatyposcript zou overhandigen, een kostuum aangetrokken. Geert Lubberhuizen, oprichter en uitgever van De Bezige Bij, stelde Jan aan me voor. Hugo, zei hij, met deze jongeman halen we een groot talent in huis.

“Enkele jaren later verscheen Ik, Jan Cremer. We, Marie-Thérèse en ik, waren met onze 2 pk naar Amsterdam gereden. En we hebben, dat sprak voor ons vanzelf, op de camping van Amsterdam in ons tentje overnacht. Een keertje. Nadien waren we bij Lubberhuizen kind aan huis; hij had een gastenkamer voor ons.

“Maar waar was ik? De vadsige koningen, ja. En het gebrek aan vrije wil. Ja. Herman, het hoofdpersonage uit De vadsige koningen, slaagt er maar niet in om zichzelf bij de lurven te vatten en aan de slag te gaan. Herman leidt een leven zonder persoonlijk of sociaal engagement. Hij zit verstrengeld in zijn lethargie en zwaarmoedigheid, hij vindt, ondergedompeld in een depressie, zijn eigen wil niet meer. Ik ken die toestand. Herman is mijn alter ego. Een van mijn alter ego’s. Maar nu is het niet de depressie die me neerdrukt. Ik heb, behalve een zwak hart, een zorgwekkende bloedsomloop en epilepsie, de ziekte van Parkinson. Door de aantasting van een bepaald gedeelte van mijn hersenen gaat mijn motoriek – ook die van mijn gezicht en mijn spraak – geleidelijk aan achteruit. Het is door dat verval van mijn lichaam en geest dat ik mij van mijn eigen wil beroofd voel. Een hersenziekte ontneemt je een deel van je mens-zijn. Het is zeer moeilijk, het is onmogelijk, om je met dat verlies te verzoenen. Laat staan dat je in staat bent om er andere mensen bij te betrekken.

“Vandaag staat voor bezoekers de deur open, maar trots op mijn toestand kan ik niet zijn. Elke dag moet ik op mijn tanden bijten om mijn situatie te aanvaarden en om mijn afhankelijkheid van de medicijnen te aanvaarden. Ik slik meer dan dertig pillen per dag. Wie is Hugo Raes dan, vraag ik me af. Hoe vrij is de wil van de mens als hij van de chemie afhankelijk is? Ik weet het niet. Ik mag niet drinken. Een glas alcohol zou, in combinatie met de medicijnen die ik neem, de dood inluiden. Maar drank is een vaste component van mijn romans en van mijn leven. Er gaat geen dag voorbij of ik droom van een trappist of een goed glas rode wijn. Ik ben een drankverslaafde geweest. De Broeders Alexianen in Boechout, de enige katholieke instelling waar ik over de vloer gekomen ben, hebben me helpen ontwennen.

“Maar de verleiding is groot. Merkwaardig is dat. Ik weet dat een slok mijn dood kan betekenen en toch kan ik niet garanderen dat ik er niet meer aan kom. Dat is, behalve dan de puur medische zijde van mijn verhaal, een van de redenen waarom ik de overhandiging van mijn archief niet heb bijgewoond. Marie-Thérèse vreest dat ik een glas aan mijn lippen zal zetten en dat het hek dan voorgoed van de dam is. Ze heeft gelijk. Bovendien laten de artsen me niet gaan. Maar ik wil niet klagen. Ik word hier bijzonder goed behandeld. Ik krijg een vipbehandeling: in tegenstelling tot de andere patiënten die hier verblijven, mag ik tijdens de dag op mijn kamer blijven. De rest moet naar de gemeenschappelijke ruimtes. Dat privilege heet ‘vrijheid’. In een kliniek heerst geen vrijheid. Je wordt verzorgd. Je wordt gewassen. Vrijdag baddag. Ik kan niet kiezen. Ik mag niet kiezen. Kiezen is nadenken. Hier denken anderen in jouw plaats.

“Pas op. Ik begrijp dat die huisregels nodig zijn voor een vlotte gang van zaken. Maar ik kan me er niet bij neerleggen. Mijn leven heeft altijd uit denken bestaan. Schrijven is denken! Maar vandaag is mijn handschrift beverig. Zo beverig dat het moeilijk, ja, haast onleesbaar geworden is. Typen lukt me evenmin. Niet op de typemachine en niet op de computer. Mijn handen laten de toetsen niet meer los. Mijn gedachten kunnen niet altijd meer bruggen naar het verleden slaan. Ik heb dagen dat ik amper een verleden heb. De dagen dat jij, ik mag toch jij zeggen, op bezoek komt, ben ik blijkbaar behoorlijk helder en scherp. Ik weet niet hoe dat komt. Misschien pluk ik eindelijk de vruchten van mijn lange revalidatie. Ik hoop het. Ik hoop dat ik en mijn geheugen nog verder de goede richting uitgaan. Misschien dat ik me dan toch weer aan een boek waag. Alhoewel. Ik heb schrijven altijd een zware karwei gevonden. Iets wat ik niet zomaar voor het plezier deed, maar wat ik moest doen omdat een woeste drang mij naar pen en papier stuwde.

“Schrijven is eigenlijk een riskant avontuur. Je kunt er dus maar het best fit voor zijn. Want je verkent de wereld en je verkent jezelf, en onderweg stuit je constant op onbekenden. De ene keer zijn dat aangename onbekenden, de andere keer figuren en beelden en gedachten die je veel liever niet had zien verschijnen. In het beste geval biedt schrijven je meer inzicht in jezelf en in de wereld; al is dat inzicht slechts tijdelijk, want de zoektocht gaat weer verder, altijd maar verder. Schrijvers die er na een boek mee ophouden, zijn volgens mij geen echte schrijvers. Schrijven is een levenslang proces. Ik ben met gedichten begonnen, maar ik vond al snel dat poëzie een te klein en te select publiek bereikte. Ik wilde een groter bereik. Ik was ambitieus. En als ik op mijn carrière en op de inhoud van al die archiefdozen terugkijk, moet ik zeggen dat ik behoorlijk tevreden ben met wat ik voor de literatuur in Vlaanderen en Nederland heb betekend.”

“De afgelopen twintig jaar ben ik niet veel in de aandacht gekomen en mijn roem is verbleekt. Ik heb de afgelopen decennia niet veel geschreven, wat ik schreef, werd niet meer goed bevonden, en bovendien hebben de media vooral oog voor alles wat jong en hip is, en dat ben ik al een tijdje niet meer. Maar ik ben me ervan bewust dat ik op verscheidene vlakken een belangrijke rol heb gespeeld. Zo wilde ik, met Hemel en dier, werkelijk heel bewust de erotiek in Vlaanderen introduceren. Ik heb altijd vol erotiek en vol fascinatie voor de vrouw gezeten. Ik heb altijd naar vrouwen gesnakt. Vandaag nog!

“Met naaktheid heb ik nooit problemen gehad. Tientallen keren zijn we met ons gezin naar de naturistenstranden in Nederland en het zuiden getrokken. Niets is toch zo natuurlijk als een naturist. Heeft er al iemand bij stil gestaan hoe belachelijk het is om te gaan zwemmen met kleren aan? Kleren die je nat maakt en achteraf te drogen moet hangen? Ik moet wel zeggen dat die naturistenstranden en -parken toen echt puur natuur waren. Er was geen infrastructuur voor de gasten: je zette je eigen tentje op en kookte, op het kampvuur, je eigen potje. Ik juichte die vrijheid toe. Net zoals ik de seksuele vrijheid toejuichte. Waarmee ik niet wil zeggen dat ik van de ene vrouw naar de andere dartelde. Marie-Thérèse was en is de vrouw van mijn leven. De erotiek in Hemel en dier vindt zijn voeding in ons leven. Er staat veel seks in. Seks bedrijven, schrijven en fantaseren over seks is voor mij een antidotum tegen doodsangst. Seks is levensdrift. Seks is roes. Maar om dat zo open en bloot te verwoorden, dat was ongekend en ongezien in Vlaanderen. En zelfs in Nederland, want Hemel en dier is in hetzelfde jaar als Ik, Jan Cremer en nog jaren voor Turks fruit van Jan Wolkers verschenen.

“Ik had me aan het libertijnse gedachtegoed van Parijs gelaafd. Parijs durfde met naakt om te gaan. Parijs vreesde het instinct en de menselijke driften niet. Ach. Mijn goede vriend Louis Paul Boon is veel te vroeg gestorven. Boon en ik hadden niet alleen onze liefde voor de drank met elkaar gemeen. Hij was ook gek op vrouwen en erotiek! En hij kon, evenmin als ik, een goed woord over de katholieke kerk uitbrengen. Ons werk kenmerkt zich door de maatschappijkritiek die erin vervat zit en door de grote sociale verantwoordelijkheid die ervan uitgaat. Om dan nog te zwijgen van onze lichamelijke gelijkenis: we waren beiden ongeveer even klein! We wilden de Vlaamse literatuur boven het boerse Pallieterniveau tillen. Bijdragen aan de Vlaamse ontvoogding op, onder meer, erotisch gebied. Ik was, wist je dat, de eerste die met Reizigers in de anti-tijd, met de Verwoesting van Hyperion sciencefiction in de Nederlandstalige literatuur heeft gebracht. En ook via de artistieke vereniging de Nevelvlek, die ik, samen met onder andere Frans Buyens (cineast en schrijver, MVDS) in de jaren vijftig heb gesticht, wilde ik dynamiek aan het Vlaamse culturele leven geven. Ik wilde dat onze Ionesco zou opstaan. Ik wilde dat onze Beckett wakker werd. De Nederlanders hadden Slauerhoff, Greshoff en Vestdijk al, maar wij moesten het met de koeien van Streuvels, Timmermans en het Davidsfonds doen!”

“Ik ben, neen, ik was de beste moppenverteller uit de buurt, maar ik ben nooit een optimist geweest. Mijn moppen noteerde ik zelfs met trefwoorden in speciale notitieboekjes. Kwestie van ze weer op tijd te kunnen opdiepen. Die tijd is helaas voorbij. Als ik vandaag die trefwoorden lees, zeggen ze me totaal niets meer. Ik kan me de grap niet meer herinneren. Maar het is waar: ik kan het niet laten, niet in mijn leven en niet in mijn werk, om altijd maar weer in het doemdenken te vervallen. Dat heeft zeker met mijn verleden te maken. Ik ben opgegroeid in de oorlog, in 1940 was ik elf jaar. En toen mijn vader aan een foutief behandelde ziekte stierf, was ik dertien. Hij was een gewoon onderwijzer, maar hij bezat een groot levensinzicht en gaf blijk van een enorme wilskracht. Mijn karakter kan niet gezien worden zonder rekening te houden met zijn dood en met de oorlog. Er was honger. Alles was gerantsoeneerd. Mijn moeder moest zorg dragen voor mijn broer en mij. Maar ze had geen geld en ze had geen opleiding. Om toch maar te kunnen overleven hebben vrienden van mijn vader toen voor haar een postje gevonden. We trokken van Hoboken naar de Lamorinièrestraat in Antwerpen, alwaar mijn moeder conciërge werd in een soort kelderetage, die zelfs tijdens de dag elektrisch licht nodig had, zo donker was het er. Ik gruwel nog van die duisternis. Ik heb er een enorme, dwingende behoefte aan licht en ruimte aan overgehouden. En dus vermoedelijk ook mijn enorme liefde voor de zee. Al werd die liefde eveneens door een familiale band aangewakkerd: mijn grootvader, de vader van mijn moeder, was chef-kok op de Red Star Line. Die hang naar water zou dus ook wel enigszins in de genen kunnen zitten. Voor mij staat de zee voor weidsheid en ruimte. Voor beweeglijkheid ook. Bewegend water leeft. Ik heb veel en serieus gezeild. Op de Schelde, op de Zeeuwse wateren, op het Kanaal en op de Middellandse Zee. Ik ben gefascineerd door dat water dat vol onrust zit, en dat, precies door die onrust, in staat is mij tot rust te brengen. Het geeft een bijzonder grote voldoening om, in die boot die slechts een notendop is, die enorme zee aan je voeten te hebben liggen. De stilte van het water, de geluiden van het water, dat klotsen dat soms bonken wordt, dat briesje dat in een storm verandert, dat groene water dat blauw of grijs wordt. Het water vloeit en doet vloeien. Het water heeft mijn schrijven beïnvloed, omdat het mijn denken heeft beïnvloed.”

“Mijn boeken zijn geboren uit mijn verzet tegen mijn angsten. Ik dacht dat ik vroeg zou sterven. Niet dus. Maar dat ik het overleefd heb, is dankzij het schrijven. Het werken en denken aan mijn romans en kortverhalen heeft herhaaldelijk voor een lange periode een opluchting in mijn bestaan gebracht. Als ik schreef, kon ik ademen. Als ik aan woorden en zinnen werkte, ervoer ik een psychische ontlasting, die het mogelijk maakte dat ik een hele tijd positiever door het leven kon gaan en gelukkig kon zijn.

“Ook lezen verschafte mij een genoegen dat ik elders niet vond. Het lezen van pockets heeft mij als tiener zelfs door de benauwende oorlog geholpen. Ik zocht het gezelschap op van de Engelsen en de Amerikanen. Want onze geallieerde bevrijders, die waren dan wel geland in Normandië, ze hadden al snel begrepen dat ze op de Noord-Franse zandstranden weinig konden uitvoeren. En dus zijn er velen naar Antwerpen gekomen. Ik heb aan die vriendschappen met de Amerikanen en Engelsen gelukkig ook enige smokkelwaar overgehouden. Engelse zeep. Vlees in conservenblikjes. Maar vooral: ze zagen dat ik veel las, en ze voorzagen mij van een onmisbare reeks uitstekende pockets. Pockets, dat woord slaat op het kleine formaat van die boekjes die precies in de borstzak van hun uniform pasten.

“Dat ik toen al goed was in het Engels was geen toeval. Heb ik al gezegd dat mijn moeders vader aan boord van de Red Star Line kookte, en dat hij tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn gezin naar Engeland heeft verscheept? Mijn moeder heeft de Eerste Wereldoorlog in Groot-Brittannië doorgebracht. Ze sprak vloeiend Brits. En haar kennis van het Engels maakte dat de soldaten, die ver van huis waren, graag van haar gastvrijheid genoten. Ze kwamen bij ons ‘a cup of tea’ drinken. Daar is mijn liefde voor het Engels en voor de Engelse literatuur dus begonnen. Na de oorlog ben ik de jonge generatie Amerikaanse en Britse auteurs blijven volgen en ben ik ook boekbesprekingen beginnen te maken. Dat was vrij uniek in Vlaanderen en Nederland. Mijn kennis van de beatgeneration (Kerouac, Ginsberg, Bukowski, Burroughs…) hebben de voorzet gegeven voor vele vertalingen naar het Nederlands. Ja. Door al de vragen die u stelt, komen er veel herinneringen naar boven. En moet ik concluderen dat boeken mijn leven met letters en met vriendschappen – soms ook met vetes! – hebben gevuld. Dat stemt me tevreden, ook al verkeer ik in deze situatie. Ik zal misschien niet zeggen dat een leven zonder boeken niet zinvol is. Maar ik zal diezelfde gedachte wat zachter uitdrukken: een leven zonder boeken is in iedere geval minder zinvol.”