Margot Vanderstraeten interviewt: Armand Pien

foto (c) Marco Mertens

Het piemeltje van Pien

1. Wiskunde über alles

,,Ik ben een Gentenaar die van wiskunde houdt. Met die eigenschappen ben ik geboren. Mijn liefde voor de stad is eeuwig, en mijn passie voor de algebra is er met de jaren alleen maar groter op geworden. Als kind kon ik van wiskunde nooit genoeg krijgen. Op de école moyenne, zoals ze dat in het Gents zeggen, kregen we wiskunde van een bijzondere leraar, meneer Dhaenes. Hij was ontzettend streng, maar zijn lessen waren formidabel. De man was eigenlijk zo streng dat als het warm was in de klas, iedereen nog op zijn bank zat te bibberen. Dankzij die lessen aan de Bisdomkaai verwierf ik echt inzicht in rekenkunde, algebra en meetkunde. En het is alsof het in de sterren geschreven stond, maar ook daarna, op de moderne aan het Koninklijk Atheneum van Gent, aan de Ottogracht, kreeg ik te maken met een wiskundeleraar die enorm opging in zijn vak. Mijnheer Glückers heette de man, en ja, met hem heb ik veel Glück gehad. Op het schoolbord veranderden cijfers, grafieken en tekeningen in pure kunst. Zo mooi schreef hij, dat ik me zijn pennentrekken nog altijd voor de geest kan halen.

Meneer Glückers was niet zo’n gezonde man, en per schooljaar moest hij gemiddeld drie maanden thuis blijven omdat hij ziek was. Maar als hij dan terugkwam en weer les gaf, dan haalde hij het onderste uit de kan. Hij wilde inhalen wat verloren was gegaan. En dus gaf Glückers inhaallessen tussen zeven en halfnegen ‘s ochtends, en na vijven ‘s avonds. We waren niet verplicht die lessen bij te wonen, maar vreemd genoeg was iedereen altijd aanwezig. De man kon op zo’n aanstekelijke manier wiskunde geven, dat niemand er graten in vond om overuren te maken.

Dankzij die twee leraren heb ik wiskunde leren liefhebben. En die liefde heeft ervoor gezorgd dat ik later, aan de universiteit, voor wiskunde heb gekozen.”

2. Lang leve de ha-ha-haring

,,Ik ben geboren in 1920. Tijdens de oorlog was ik dus een gezonde jongeman. Maar aan mijn dienstplicht ben ik gelukkig kunnen ontsnappen. Eerst — in 1940 — kreeg ik uitstel omdat ik aan de universiteit zat, en later, nadat ik afgestudeerd was, kon ik aan de Duitsers ein Schein voorleggen, dat was het formulier dat een vrijstelling voor legerdienst inhield. Ik had dat, omdat ik vlak na mijn opleiding als licentiaat wiskunde werd aangesteld als ambtenaar bij de provincie. Veel leeftijdsgenoten hebben niet het geluk gehad met een Schein te kunnen zwaaien. Ze werden opgeëist door de Duitsers, en er zijn er ook veel gesneuveld.

Van de oorlog blijft vooral de honger in mijn hoofd knagen. Ik weet wat honger is. Misschien daarom dat lekker eten, net als eens goed lachen, sindsdien tot de geneugten van mijn bestaan behoort. Tijdens de oorlog hebben we zo naar voedsel gesnakt dat we echt alles opgegeten zouden hebben. Mijn studententijd heeft zich dus in een allesbehalve aangename periode afgespeeld. En ik woonde in de stad. We hadden geen kippen of koeien, geen granen of groenten, we moesten voor elke hap naar het platteland. Dat betekende dat we vaak voor dag en dauw urenlang moesten stappen of fietsen, met een knagende maag en een lichaam en geest die naar voedsel snakten. Eigenlijk hebben de Duitsers ons toen gered. Ze hadden te veel haring gevangen, en ze deelden die tonnen vette vis aan ons uit. Op dat vet hebben heel wat Gentenaren de oorlog overleefd. Ja, ja, het is dankzij de ha-ha-haring dat ik lach en leef.”

3. De vader van de sterrenwacht

,,Mijn opleiding als licentiaat wiskunde heb ik aangevuld met de specialisatie astronomie. Sterren hebben me, net als kometen, altijd geboeid. Aan de Gentse universiteit hadden we met een groepje de vereniging van sterrenkunde opgericht.

Niet dat we tijdens de oorlogsjaren veel met de telescoop naar de hemel hebben kunnen staren. We konden niet waarnemen, omdat de Duitsers hun Sperrzeit uitgeroepen hadden: na tien uur ‘s avonds mocht niemand meer op straat. Mijn thesis ging trouwens over kometenonderzoek. Kom eten, kometen, weet je nog? Ik heb me mijn leven lang ingezet voor de verspreiding van sterrenkunde, en ik ben trots op de resultaten. In een van mijn weerpraatjes heb ik ooit de woorden van Martin Luther King herhaald. ‘I have a dream.’ Mijn droom was bescheidener dan die van onze vriend Martin Luther King. Ik droomde van één volkssterrenwacht in elke Vlaamse provincie. Intussen is die droom verwezenlijkt, en dat stemt me heel tevreden. Ik heb de sterren in veel weerberichten boven water gehaald, of, haha, in het zonnetje gezet. Dat kon ik.

Ik kreeg bij de huidige VRT — die achtereenvolgens NIR, BRT en BRTN heette — een vrijheid zoals niemand die nog gekend heeft. Ik kreeg vijf minuten, en ik nam er altijd zeven, met een stapel blauwe waarschuwingsbrieven als gevolg. Maar daar heb ik me nooit iets van aangetrokken. Het is een feit dat ik de bevolking heb kunnen besmetten met mijn enthousiasme voor sterrenkunde. Nu tellen de volkssterrenwachten Mira (Grimbergen), Beisboek (Brugge), Uranea (Hove), de Limburgse Volkssterrenwacht (Genk) en volkssterrenwacht Armand Pien (Gent) duizenden leden. Later, van 1976 tot 1982, heb ik ook het Planetarium geleid. Dat was op aansturen van de toenmalige minister van Onderwijs, Herman De Croo. Het Brussels planetarium op de Heizel stond al jarenlang leeg, en het weekblad Knack nam daar nogal aanstoot aan. De Croo heeft me toen een telegram gestuurd met de woorden: ‘Maak dat het draait.’ In zes jaar tijd hebben meer dan 350.000 mensen het Planetarium bezocht.

Weet je, jong en oud is in het heelal geïnteresseerd, of zou dat moeten zijn. Want het kan toch niet dat je niet weet dat de zon niet rond de aarde draait, dat je niet nieuwsgierig bent naar planeten en meteoren, dat de hemel je onberoerd laat? De volkssterrenwachten verrichten bijzonder goed werk, en dat wordt allemaal uitsluitend door vrijwilligers gedaan. Hun waarnemingen, hun opmetingen en berekeningen leveren de wetenschap nuttig materiaal. Het is alleen jammer dat het onderwijs om de een of andere onbegrijpelijke reden nog altijd geen aandacht besteedt aan meteorologie of aan astronomie.”

4. De enige Vlaming van het KMI

,,Op 1 februari 1948 heb ik bij het KMI getekend. Een historisch moment. Want de beslissing om voor een baan in Ukkel te kiezen, lag zeker niet voor de hand. Ik had een uitstekende job bij het ministerie van Volksgezondheid, ik verdiende goed, ik moest niet elke dag van Gent naar Brussel en bovendien bleef ik bespaard van avond- en zondagsdiensten. Maar toch.

Toch heb ik die dag, met goedkeuring van mijn vrouw, besloten om mijn comfortabele salaris op te geven en bij het KMI voor drie keer minder aan de slag te gaan. Het KMI zocht in die tijd een Vlaming die wat van sterrenkunde afwist. Mijn vriend Albert Velghe werkte al op het KMI, en via hem kwam het instituut vrijwel automatisch bij mij terecht. De meteorologie stond nog helemaal in de kinderschoenen. Zelfs ik wist niets van weerkunde af. Er bestonden geen lespakketten meteorologie, alleen aan de ULB kon je een cursus volgen.

Het KMI was ook volledig Franstalig. Ik ben jarenlang de enige Vlaming van dat Koninklijk Instituut geweest. Niet dat me dat tegen de borst stuitte, integendeel. Ik vind het prettig om andere talen te leren en te spreken. Het toeval wil dat ik vanaf mijn eerste dag op de afdeling Toegepaste Meteorologie belandde — bij die tak van de weerkunde die in contact staat met de bevolking. En van het een kwam al snel het ander. Zeker toen de televisie begin jaren 1950 haar intrede deed.

Nic Bal van het toenmalige NIR kwam met het idee op de proppen om aan elk journaal een weerbericht te koppelen. Hij had dat bij de BBC gezien. Omdat ik de enige Vlaming was die zich professioneel met meteorologie bezighield, was de keuze snel gemaakt. Armand Pien moest en zou het weer brengen.”

5. Drama in de taxi

,,Mijn proefweerbericht vond plaats in 1952, in studio 6 op het Flageyplein. Nic Bal had me bij zich geroepen en hij zat, samen met weet ik veel wie nog allemaal, naar me te kijken achter het donkere glas dat op de studio uitgaf. Ik was niet zenuwachtig. Ik heb gewoon mijn ding gedaan. Natuurlijk had ik allerlei materiaal van het KMI meegebracht: een pluviometer bijvoorbeeld, maar ook een barometer. Dat waren destijds dure instrumenten.

Omdat ik toen nog geen auto had, nam ik de taxi van en naar het Flageyplein. In de taxi is een waar drama gebeurd. De barometer van het KMI is gebroken, en de bank en ik zaten onder het kwik. Tijdens die rit heeft de taxichauffeur me getrakteerd op een exclusieve kennismaking met het Brussels dialect. In minder dan een kwartier tijd kende ik alle vloekwoorden die er in het Brussels dialect bestaan, haha. Ik vreesde uiteraard ook dat het KMI de schade op mijn loon zou verhalen. Dat is gelukkig niet gebeurd. Eigenlijk hebben ze aan die tegenslag niet zwaar getild. Maar ik, ik zal dat voorval nooit vergeten.”

6. Lipstick all over

,,Op de avond van 31 oktober 1953, bijna vijftig jaar geleden dus, ging mijn allereerste weerpraatje live de Vlaamse ether in. Een beetje zenuwachtig was ik voor die vuurdoop wel. Ook al omdat ik me niet echt had kunnen voorbereiden. Ik kreeg op het moment zelf een vers gedrukte weerkaart onder mijn neus geduwd, de inkt was nog nat. Weerkaarten bestonden in die tijd eigenlijk nog niet, ze hadden ze speciaal en op het laatste moment laten drukken. Welk weer ik toen voorspeld heb, herinner ik me niet meer. En ook niet of de voorspelling klopte. Maar ik had het voordeel dat ik voor een nieuw medium werkte en dat ik me bezighield met een onderwerp dat al even nieuw was. Iedereen is in het weer geïnteresseerd, want zon, regen, vriesweer en storm belangen iedereen aan. Vijf minuten is bovendien net lang genoeg om iemands aandacht te trekken, en kort genoeg om hem niet te laten verslappen.

Ik herinner me dat ik tijdens mijn eerste weerpraatje aantekeningen wilde maken op de weerkaart. Het enige wat ik bij me had, was een vulinktpotlood. Algauw bleek dat ik daar niets mee kon aanvangen, want als je een vulinktpotlood met de punt naar boven houdt, schrijft het gewoonweg niet. Die eerste uitzending ging gepaard met afschuwelijk veel gekras en gepiep, en de hoge- en lagedrukgebieden heb ik pas dankzij het snelwerkende brein van de schminker van het NIR kunnen tekenen. Die gaf me een lipstick. Vanaf dat moment werkte ik dus elke dag met rouge baiser. Je kunt ervan op aan dat heel veel mannen me daarom hebben benijd, want als ik ‘s avonds thuiskwam en onder de lipstick zat, dan was de verklaring volkomen onschuldig, haha.

Zevenendertig jaar lang heb ik ononderbroken eerst twee, en daarna drie keer per week het weerbericht gepresenteerd, en altijd in prime time. Eén enkele keer maar ben ik vervangen. Ik speelde amateurtoneel en het Van Crombrugghe Genootschap had het Landjuweel in de wacht gesleept. Voor die prijsuitreiking en avondvoorstelling heb ik voor een keer het weerbericht op de tweede plaats gezet.

Weet je, aan kijkers en luisteraars heeft het me nooit ontbroken. Tijdens mijn radioweerpraatje met Lutgart Simoens steeg het aantal luisteraars zo opvallend dat we die piek maar een naam hebben gegeven. Het piemeltje van Pien, haha. Zeker niet te onderschatten, haha. Op een bepaald moment keken meer dan twee miljoen kijkers naar Armand Pien. Twee- tot zelfs tweeënhalf miljoen, dat is ongelooflijk veel. Vandaag spreekt men al van een succes als de kijkcijfers boven het half miljoen liggen. Al besef ik dat er geen vergelijking opgaat tussen de televisie van toen en die van nu. Decennialang was er geen concurrentie. Als mensen al een televisie hadden, dan stemden ze op het NIR en later op de BRT af.

Ik was een vedette. Iedereen die toen op tv kwam, was een vedette. Op straat kwamen ze me zelfs aanraken, voelen of ik echt was. En als het zonnetje scheen en als ik dat voorspeld had, dan kreeg ik zomaar zoenen van vrouwen. Dan hing er dus weer lipstick op mijn wangen, haha.”

7. Jongens en wetenschap

,,Af en toe vind ik het jammer dat ik mijn doctoraalthesis nooit heb afgemaakt. Gewoon, omdat ik denk dat dat werk me veel voldoening zou hebben gegeven. Ik was eraan begonnen, maar toen kwam dat telefoontje van het KMI en daarna werd ik zo door andere dingen in beslag genomen, dat het er niet meer van gekomen is. Ik heb er geen spijt van, dat mag je ook niet denken. In plaats van me aan de exacte wetenschap te wijden en me over theorie en onderzoek te buigen, heb ik de wetenschap vooral toegankelijk gemaakt voor de gewone burger. Ik ben de go-between tussen mens en wetenschap geweest. En dat is een verdienste, al zeg ik het zelf.

Daarom prijs ik me ook gelukkig met een radioprogramma als Jongens en wetenschap. Dat programma slaagt erin van een feit te vertrekken en vandaaruit, live, naar verklaringen te zoeken. Water wordt ijs — hoe komt dat, en laten we het eens uitproberen. Dat de twee presentatoren jonge mensen zijn, stemt me positief. Ik ben graag met jonge mensen in de weer. En ik vind dat de televisie het succes van een radioprogramma als Jongens en wetenschap niet over het hoofd mag zien. De televisie is veel te veel toegespitst op amusement, op het woord, op de zachte, sociale en literaire kant van de maatschappij. Op het scherm van de openbare omroep ontbreekt de wetenschap totaal. En dat is een gemiste kans.”

8. Het mirakel van de geboorte

,,Ik ben humanistisch opgevoed, met respect voor alles en iedereen. Godsdienstig ben ik niet, en die groep bedevaarders die begin april naar het Noord-Spaanse Garabandal is getrokken om op zoek te gaan naar de verschijning van Maria, heeft zich natuurlijk laten bedotten. Dat soort wonderen, die zonder enige valabele wetenschappelijke verklaring worden voorspeld, vind ik hemeltergend. Je hoeft geen kilometers te reizen om het wonder te aanschouwen. Een kind, dat is voor mij een wonder. En dat mijn vrouw en ik geen kinderen hebben, is aan omstandigheden te wijten. Meer wil ik daarover niet kwijt. Dat het jammer is en spijtig, ja, dat wel. Maar in de jaren 1950 was de wetenschap niet zover als ze nu is. Wat toen niet kon, kan vandaag probleemloos.

Dat een zaadje en een eitje in staat zijn voor een nieuw wezentje te zorgen, dat vind ik wonderbaarlijk. En dat in dat wezentje dan ook nog de genen van ouders en voorouders zitten, dat vind ik frappanter dan een Mariaverschijning. Ik vind dat het kind in onze maatschappij gekoesterd moet worden. En met gekoesterd bedoel ik niet vertroeteld. Ik pleit voor een degelijke opvoeding. Ik heb moeite met jonge moeders die voltijds gaan werken, en hun boeleke aan andere mensen uitbesteden. Al die tweeverdieners. Ik begrijp dat het leven duurder wordt, en dat de maatschappij andere eisen en voorwaarden stelt dan vroeger, maar ik vraag me toch vaak af of die tweeverdieners met meer geld en almaar minder tijd nu echt wel zo zeker zijn van hun keuzes.

Ik weet het, ik heb nu weer makkelijk praten. Sinds ik met pensioen ben, weet ik weer wat het betekent om over de luxe van de tijd te beschikken. Dat is heel aangenaam. Ik word er niet lui van. Integendeel. Nu nog breng ik elke voormiddag op het KMI door. Ik kan niet zonder het weer. En niet zonder jonge mensen om me heen. Een mooie, jonge vrouw is als een opklaring, nietwaar.”

9. De zwarte dag: Tsjernobyl

,,Als ik aan 25 april 1986 denk, dan word ik triest en boos. Het is de dag dat in Scandinavië de geigertellers op hol sloegen, omdat de kernreactor van Tsjernobyl ontploft was. De Russen — en dat was toch al in het tijdperk van Gorbatsjov — verzwegen het ongeluk dagen aan een stuk. Onvergeeflijk vind ik dat, afschuwelijk.

Op die bewuste vijfentwintigste april maakte ik gewoontegetrouw mijn weerpraatje in het radioprogramma Platenpoets met Lutgart Simoens. De feiten van verhoogde radioactiviteit in de lucht rolden binnen. Lutgart vroeg me of de mensen zich zorgen moesten maken. Ik antwoordde simpelweg dat dat niet hoefde want dat er, dankzij de zuidwestenwind, niets aan de hand was. We wisten toen ook nog niet wat er precies scheelde. Maar toen ik de studio uit kwam, werd ik als door een blikseminslag getroffen. Ik kreeg te horen dat arbeiders van een Zweedse kernreactor hadden vastgesteld dat ze radioactief besmet werden als ze buiten de reactor kwamen, in plaats van andersom. En dat ook over ons land een enorme radioactieve wolk hing. Terwijl men normaal 15 becquerel aan radioactieve stralen meet, werden nu waarden van 15.000 becquerel opgetekend. De radioactiviteit van die dag was veel erger dan die van een atoombom!

Die avond moest ik gewoontegetrouw mijn weerpraatje houden. Maar ik mocht bij de bevolking geen paniek zaaien. Toenmalig minister van Volksgezondheid Miet Smet en een aantal hoge pieten van de BRTN verzamelden zich om me heen en lieten me weten wat ik wel en niet mocht zeggen. Want die avond zou iedereen met meer belangstelling dan gewoonlijk op het weerbericht afstemmen. Op zo’n moment weet je dat je macht hebt en dat je van alles kunt doen gebeuren. Maar ik moest me dus aan de richtlijnen houden. Mijn uitleg over de radioactieve wolk was puur meteorologisch. Ik heb gezegd hoe de lucht door het land trok, meer niet.

We hebben geluk gehad dat het die dag niet geregend heeft. Echt waar. Want in dat geval waren de gevolgen veel erger geweest. Je moet regen vergelijken met een wasmachine. Alle druppeltjes nemen het vuil mee. De radioactiviteit zou in het grondwater beland zijn. Ik moet er niet aan denken. Gelukkig heeft de wetenschap ook op dat vlak niet meer stilgestaan. Nu worden luchtdeeltjes met ballonnen gevolgd. En het is waar, je kunt de luchtcirculatie dan nog wel niet beïnvloeden, maar het feit dat men nu weet waar er zich een bepaalde concentratie bevindt, is een zegen voor de mensheid.”

10. Een grote sprong voor de mensheid

,,Ik was een stille getuige van de Koude Oorlog. De spanning tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten heeft de aandacht voor ruimtevaart doen toenemen. Niet dat het die wereldmachten in de eerste plaats om de wetenschap te doen was. Elkaar de loef afsteken, daar ging het om.

Toen de Russen op 4 oktober 1957 de eerste kunstmaan lanceerden, lieten alle Amerikanen die op dat moment een glas in hun handen hadden, het terstond op de grond vallen van verbazing en ontzetting. Na de Spoetnik 1 pakten de Russen op 12 april 1961 uit met een tweede primeur. Joeri Gagarin maakte als allereerste mens — het hondje Laika was tussendoor al een kijkje gaan nemen — een reis door de ruimte. Op elke actie van de Russen volgde een reactie van de Amerikanen. Met hun Explorer en later met de astronaut John Glenn, die op 20 februari 1962 drie keer rond de aarde draaide.

Het absolute hoogtepunt was natuurlijk toen Neil Armstrong op 20 juli 1969 de eerste stap op de maan zet. A small step for a man, but a giant leap for mankind. Het werd live uitgezonden, en bij de BRT hadden we er een marathonuitzending van Verover de Aarde aan gewijd. We zaten in de studio, we spraken over wetenschap en ondertussen wachtten we op de Apollo 11 en de landing die met vier uur vertraging plaatsvond. Die vier uur hebben we volgepraat met allerhande wetenschappelijke weetjes. Een beetje zoals Jongens en wetenschap, maar dan op televisie.

Dat ik die eerste voetstappen op de maan heb mogen meemaken, is een unicum. Het was eigen aan die tijd. Iedereen leefde mee. Die dag is wereldwijd het hoogste elektriciteitsverbruik in jaren opgemeten. Nooit eerder zaten zoveel mensen tegelijkertijd aan de televisie gekluisterd. Vandaag wordt er veel minder over de maan en de ruimte gesproken. Er is geen Koude Oorlog meer. De eer die met zulke dure experimenten te halen valt, is afgenomen. Wie de maanlanding van 1969 niet heeft meegemaakt, zal misschien nooit meer een maanlanding meemaken. Het positieve is dan weer dat de hele wereld nu samenwerkt. De ruimtevaart is geen wedstrijdje meer, het showelement is weg en dat komt de ontwikkeling van de technologie ten goede.

Die vooruitgang van de ruimtevaarttechnologie heeft me overigens het leven gered. Ik ben 82 en gezond. Maar na mijn 70ste heeft mijn leven drie keer aan een zijden draadje gehangen. Twee keer door nierstenen en een keer door een dichtgeslibd bloedvaatje. De medische instrumenten — de niersteenverbrijzelaar, bijvoorbeeld — die ingezet worden bij de genezing van die kwalen, zijn ontwikkeld dankzij de ruimtevaarttechnologie. Het heelal blijft me dus achtervolgen, waar ik ook ga of sta. Haha.”

© 2002 Corelio