media_xl_4424788De ene assisenzaak is de andere niet

‘Ik zeg dit nu even off the record’, zegt Adam Miskovic aan het einde van het gesprek. ‘U hoeft dit niet op te schrijven. Maar u weet net zo goed als ik dat wij hier niet zouden zitten als ik niet de advocaat van Ronald Janssen was. De ene Assisenzaak is duidelijk de andere niet. Omdat Janssen boeiend genoeg wordt bevonden, word ik dat blijkbaar ook.’

‘Neemt u me deze cliëntgerichte belangstelling kwalijk?’

Neen, in geen geval. Het is een vaststelling. U stelt mij een hele reeks vragen, en ik leg deze vaststelling aan u voor. De democratie wil drama, denk ik. En u en uw uitgever dus ook.

Verder heb ik nog nooit zo lang over mijn beroep gesproken als hier, vandaag, met u. Dat vind ik prettig. Dat u me verplicht heeft om naar woorden te zoeken.

Onlangs daagde een groot aantal advocaten op die zich kandidaat stellen om pro Deo voor Ronald Janssen te pleiten. Keek u, toch zijn advocaat, daar vreemd van op?

Diezelfde confraters zullen zich niet Pro Deo aanbieden voor minder spraakmakende zaken. Het proces van Ronald Janssen zal gegarandeerd veel media-aandacht krijgen. Sommige ambitieuze, jonge pleiters zien deze schijnwerpers als de start van een blitzcarrière.

Ik ben niet jong meer. En mijn ambitie is niet de grote, mediatieke processen binnen halen.

Meer woorden wil ik er niet aan kwijt.

Wat is uw ambitie in de zaak Janssen?

Van de man een mens proberen te maken. De mens in de moordenaar een gezicht proberen te geven.

Ik zal trachten verklaringen te zoeken voor de verkrachtingen en moorden die hij heeft gepleegd. Verklaringen zijn geen excuses.

Wat ik hoop, is dat we erin slagen om de drijfveren achter zijn gruwelijke daden te doorgronden.

En dat, uiteraard, met grote inachtneming van, en respect voor het leed van de nabestaanden, en de levens die zijn weggerukt.

Hoe komt het dat uitgerekend u zijn advocaat bent? U heeft, in uw lange staat van dienst, maar drie Assisenzaken gepleit, en u geniet vooral een reputatie als het aankomt op ingewikkelde zaken waarin het internationaal privaat recht speelt?

Ik doe veel strafrecht, maar ik voel me inderdaad geen strafpleiter zoals u die van Assisen kent.  In feite ben ik gespecialiseerd in alles wat internationaal privaat recht betreft. Internationale huwelijken en bijgevolg ook scheidingen – die kunnen heel complex en pijnlijk zijn, tot kidappingen toe.

U herinnert zich wellicht de zaak Fraccaro-Leschiutta, twee Italiaanse vaders. Ze wonen in Italië en hebben elk een zoon van een vrouw in Heusden-Zolder. De mannen hebben het hoederecht in Italië, in België zijn de kinderen aan de Vlaamse Gemeenschap toegewezen. Maar de vrouw haalt de kinderen bij hun vaders vandaan, en naar België. Omdat in België  gerechtsdeurwaarders kinderen niet manu militare mogen meegenomen worden, blijven de twee jongens hier. De Italiaanse nationale televisie heeft hele programma’s aan dit drama gewijd. Ik verdedigde in deze zaak  XXXXXXXXXXX EN HOE IS HET AFGELOPEN

Een ander dossier dat een bel zal doen rinkelen is het grote omkoopschandaal in het Belgisch voetbal , met als hoofdrolspeler de zogenaamde gokchinees. De gokchinees bood geld aan  bepaalde  spelers en trainers van  Antwerp en Lierse, in ruil voor het  manipuleren van wedstrijduitslagen –  die de gokmaffia nog meer geld opleverden. Ik verdedidigde in deze zaak Hasan Kacic, betrokken profvoetballer bij SK Lierse.

Dat ik nu Ronald Janssen zal verdedigen, heeft met een toevallige samenloop van omstandigheden te maken. (hoezo?, kunt u dat nog uitleggen)  Ik heb een langdurig gesprek met hem gevoerd. Na dat gesprek vond ik dat ik hem kon en moest helpen. (waarom?)

Vervolgens heb ik Meester Paul Quirynen gebeld, en hem gevraagd om me tijdens dit proces bij te staan. Ook hij heeft een verkennend gesprek met Ronald Janssen gevoerd. Het vervolg daarvan kent u.

‘Ik  kan de verdediging van Janssen niet in overeenstemming brengen met mijn geweten’,  zei Paul Quirynen, en de pers tekende zijn uitspraak op. (nb aan Meester Miskovic: in het interview in dit boek zegt Paul Quirynen dat opnieuw, dat zijn geweten het niet toeliet om RJ te verdedigen)

Ja, en ik betreur het dat Meester Quirynen niet gewoon heeft gezegd ‘ik doe het niet’. Door aan het geweten te refereren, laat hij aan de buitenwereld uitschijnen dat iemand die Janssen wel verdedigt, geen geweten heeft, of op zijn minst een slecht.

Ik heb een goede verhouding met confrater Paul Quirynen, dus ik weet dat hij het zo niet heeft bedoeld, en dat hij dat geenszins wilde suggeren. Maar de perceptie is er.

Waarom wilde u confrater Paul Quirynen aan uw zijde?

Paul Quirynen is een advocaat die vooral slachtoffers verdedigt. Hij heeft, ondermeer via het proces Dutroux, van heel dichtbij het immense leed ervaren van nabestaanden van vermoorde kinderen. Ik wilde via hem inzage krijgen in dat leed, voor zover zoiets mogelijk is. Ik meende dat het zinvol was om de sluier van verdriet te laten verwoorden.  Al zal het woord daarvoor altijd te kort schieten. Als het op miserie aankomt, schiet de taal altijd te kort.

Hoe bedoelt u?

Taal biedt een soort bescherming. Als je iets kunt benoemen, krijg je de indruk dat je het ook kunt beheersen. De mens heeft deze illusie waarschijnlijk nodig; hij wil graag geloven dat hij via de taal de teugels van het leven in handen heeft.

We hebben een term voor de begrippen weduwnaar, weduwe en wees.  Met andere woorden: voor zij die achterblijven als een volwassene sterft, hebben we een woord bedacht. Maar ouders die achterblijven als hun kind sterft, moeten het zonder een specifieke terminologie stellen die hun lot benoemt. Waarom is er geen woord voor ouders van kinderen die zijn vermoord, of die in het verkeer zijn verongelukt? Mij doet dat vermoeden dat de dood van een kind een waarheid inhoudt die zo ondraaglijk en ook onbevattelijk is, dat  we hem liever uit onze taal en uit ons bestaan bannen.

(kunt u hier aub de italiaanse uitdrukking plaatsen, het zijn de kinderen die hun ouders naar het graf moeten dragen en niet andersom, ik beheers het Italiaans helaas niet, de wijnen dan weer wel)

Natuurlijk  kun je niet naar een simpele uitbreiding van het vocabularium streven. De taal is voorwerp van een natuurlijke evolutie en van een maatschappelijke discussie. En de taal groeit niet op commando.

Ik las zopas het boek Tonio van A.F.Th. van der Heijden. Je zou het vakliteratuur kunnen noemen. Adrie van der Heijden verloor ruim een jaar geleden zijn zoon, een twintiger. De jongen, Tonio, kwam om bij een verkeersongeval in Amsterdam. Ik las dat boek omdat ik een fractie zou willen begrijpen van het verdriet en de afschuw die bij het verliezen van een kind horen.  Ik wilde weten of een vader die schrijver is, dat verdriet in woorden kan omzetten.

Het is een zeer aangrijpend boek. Maar de dood van een kind blijkt ook voor een schrijver niet in woorden te bevatten. Er is heel veel dat onuitgesproken blijft, omdat woorden falen.

Toch zullen er, ondanks uw hier betuigde respect voor de nabestaanden en slachtoffers, altijd mensen zijn die uw geweten in vraag zullen stellen, alleen omdat u als verdediger van Ronald Janssen optreedt.

Daar ben ik me van bewust. Al naargelang van de feiten die een cliënt heeft gepleegd, word je als advocaat sowieso in een bepaalde positie geduwd. Het hardnekkige misverstand dat een advocaat de daad verdedigt, en niet de dader, leeft bij vele mensen nog steeds. Ik vind dat jammer. Een advocaat is geen tegenstander. Zelfs niet als hij niet voor het Openbaar Ministerie (de slachtoffers), maar voor de dader (s) optreedt.

Kent u het gezegde: ‘De deugd zit in het midden, zei de Duivel, en hij zette zich tussen twee advocaten’. Zo zien mensen, geheel onterecht, de advocaat nog al te vaak. Als een mooiprater met een lage moraal.

Kan een goede advocaat een slechte daad ‘mooi praten’?

Een goede advocaat zal tot het uiterste gaan in elke zaak. Dat is zijn taak. Daarom kan ik het ook niet verdragen dat men ten onrechte schiet op procedurepleiters. Zij zijn geen kommaneukers, zij zijn deskundigen die de regels ten gronde kennen en willen dat ze gerespecteerd worden. Ik vind hun specifieke manier van werken essentieel voor de rechtspraak. Ze moéten hun kennis aanwenden.

In het voetbal vindt niemand het merkwaardig dat een scheidsrechter fluit als een speler een regel overtreedt. In de rechtspraak wordt iemand die opmerkt dat de regels niet worden nageleefd te vaak gezien als iemand die de wet uitholt, terwijl hij de wereld juist het tegendeel bewijst. Qui suo iure utitur neminem laedit – hij die van zijn recht gebruik maakt, brengt niemand schade toe; de Romeinen wisten dat al.

Maar de reputatie van strafpleiters als ‘mooipraters’ heeft allicht te maken met overredingskracht die ze tijdens hun pleidooien te berde kunnen brengen. Goede strafpleiters kunnen, als ze de zaak op een overtuigende, psychologische wijze benaderen, de rechters en de jury beïnvloeden. Daar is niets mis mee: ze vertegenwoordigen hun cliënt, en dus vertegenwoordigen ze een mens, en proberen ze toe te lichten hoe de mens tot bepaalde gruwelijke daden is gekomen.

Ik verwijs hier naar assisen in het algemeen, dus niet naar de zaak van Ronald Janssen die nog moet komen.

Dat dubbele is eigen aan het beroep van strafpleiter: enerzijds werkt hij met de droge, ambachtelijke taal die kenmerkend is voor wetteksten; anderzijds tracht hij het menselijk gedrag in begrijpelijke taal om te zetten en zoekt hij daarvoor zijn toevlucht tot de taal van het volk.

Onderschat de jury daarbij vooral niet. Men denkt vaak dat een volksjury niet bekwaam is om, na een lang assisenproces, een oordeel te vellen dat zo juist mogelijk is. Ik lees veel. Ik volg zoveel mogelijk assisenzaken. Ik stel vast dat jury’s bijna altijd zeer capabel zijn.

Meteen nadat Ronald Janssen de moord op Kevin en Shana had bekend, doken op youtube filmpjes op over zijn privéleven. Er is een FB-pagina gewijd aan de ‘Doodstraf voor Ronald Janssen’. Moeit ‘jan en alleman’ zich almaar meer met de rechtspraak?

De nieuwe media plegen een aanslag op ieders privacy, ook op die van een verdachte. Daarnaast ventileert iedereen er à volonté zijn mening: deskundigen en ondeskundigen. Blogs, sociale netwerken, foto’s en filmpjes die de wereld rondgaan, … maken deel uit van een evolutie die niet terug te draaien valt. Het is me een raadsel hoe de rechtspraak deze nieuwe, invloedrijke werkelijkheid in haar werking zal incorporeren. We zijn te traag. Wij, justitie, lopen de realiteit altijd achterna.

Ik kan dan wel zeggen dat een proces in de assisenzaal gevoerd moet worden, en niet daarbuiten. Ik heb geen invloed op daarbuiten.

En in de ogen van de buitenwereld heeft Ronald Janssen bepaald geen recht op een proces. Ik hoor die geluiden ook: dat men vindt dat er aan zijn proces geen overheidsgeld moet worden besteed en aan zijn opsluiting al evenmin.  ‘Geef dat monster een spuit, vermoord hem zoals hij zijn slachtoffers heeft vermoord, en we zijn ervan af’; het is de echo van de wraak.

Deze wraak wordt mede aangedikt door het feit dat Ronald Janssen de man is ‘die jouw buurman had kunnen zijn’. Ik verwijs met deze woorden naar de titel van een boek dat, na moord op Kevin en Shana, door twee journalisten werd geschreven en waarin zijn daden worden gereconstrueerd. ‘Het kan je buurman zijn’ werd door de rechter, op verzoek van de nabestaanden, verboden. Maar juist doordat Ronald Janssen door het leven ging als een gewone buurman en een gewaardeerd leerkracht technisch tekenen, voelen vele mensen zich betrokken, en leeft er een scherpe angst en haat.  Het lijkt een dicht-bij-hun-bed verhaal, en dicht bij het bed prefereert iedereen de algehele veiligheid.

Toch mag geen enkele rechtstaat met wraak akkoord gaan.

Mijn cliënt, elke cliënt, heeft recht op een eerlijk proces. Vrouwe Justitia mag haar blinddoek niet afdoen en in de ogen van de mensen kijken. Iedereen moet – ongeacht zijn kleur, afkomst, palmares,…  – op het recht kunnen vertrouwen.

Ik zal niet zeggen dat ik de pers en de sociale media vrees, want ik vind ‘vrezen’ een te sterk woord. Maar ik ben toch bang dat de sfeer die rond het proces zal worden gecreëerd, er een is die de eerlijke rechtsvinding in de weg zou kunnen staan. En dat moet juist de essentie van het proces zijn: hoe vinden we, alle actoren, het recht, en hoe komen we daartoe?

Ronald Janssen moet om meerdere redenen voor de rechtbank verschijnen. Al te vaak wordt deze reden vergeten: een eerlijk en terdege gevoerd Assisenproces biedt ook de tijd, de ruimte en de plaats voor de verwerking van menselijke drama’s. Ik zeg niet dat een proces de mogelijkheid biedt om het gebeurde te aanvaarden. Een moord kun je nooit aanvaarden.

U bezoekt Ronald Janssen in zijn cel in de gevangenis van Hasselt. Bereidt u samen met hem het proces voor?

Ja, natuurlijk. We bekijken de zaak. Ik confronteer hem met feiten, uitspraken en bevindingen. Ik kan zijn belangen alleen naar behoren behartigen als ik zijn dossier ken, en grondig met hem ge-en besproken heb. Het is essentieel dat ik deze zaak zeer ernstig neem. Deze ernst ben ik aan alle betrokken partijen verschuldigd. Inclusief de jury, de rechtbank en mezelf.

Wat is het geweten volgens u?

 

Ik denk dat het geweten een innerlijke stem is die het onderscheid tussen goed en kwaad kan maken, en die aan de basis van je houding en gedrag ligt. Verder ben ik er zeker van dat iemand die opgroeit in een omgeving waar vertrouwen heerst en waar persoonlijke ontwikkeling mogelijk is, zijn geweten op een evenwichtiger en vanzelfsprekender manier zal uitbouwen.

Alleen rijst de vraag wie bepaalt wat goed is en wat slecht is.

In bepaalde culturen wordt eerwraak niet bestraft. Vermoord je je dochter of je zus omdat ze voor haar huwelijk werd ontmaagd, dan zijn er landen waar je daad op vrijspraak kan rekenen.  Ook verstoting is zo’n cultureel gegeven: tot een tijd geleden – gelukkig is die situatie intussen veranderd – mochten Marokkaanse mannen hun vrouwen verstoten, het burgerlijk wetboek liet dat toe. Ik heb meerdere van dit soort dossiers behandeld.

Het geweten is dus, naast individueel, ook cultuurgebonden. En binnen elke cultuur heb je dan subculturen. Mensen die deel willen uitmaken van een subcultuur, nemen het collectieve geweten én de taal van die groep aan. Wie tot de macho’s wil behoren, scheld op vrouwen en behandelt hen als hun bezit. Wie bij de neonazi’s is, zal de taal en het geweten van die groep hanteren. Wie deel uitmaakt van de groene beweging, zal ook gewetensmatig bij de groenen aansluiten, en de terminologie van ecologisten hanteren.

Kent u het filosofisch werk Jenseits von Gut und Böse (Voorbij goed en kwaad, mvds) van Freidrich Nietzsche?  Hij zegt dat alles wat we doen – en de manier waarop we dat doen – gestuurd wordt door de wil tot macht.

Volgens mij wordt het geweten inderdaad altijd vanuit een ik-verhaal wordt gestuurd, en dat het door specifieke confrontaties uitgedaagd wordt.

Denk maar aan het verhaal van de vier mensen die in het midden van de oceaan in een rubberbootje dobberen. Er is geen redding in zicht. Een van de vier is er erg aan toe.  Als de drie anderen het zonder eten moeten stellen, zullen zij zeker sterven.  Als ze de zieke doden en

opeten, maken ze veel kans om te overleven. Wat doen de drie?

Wat zou ik doen?

Wat zou u doen?

Is er van de drie iemand die de ander kan overreden? Tot doden, of het omgekeerde, tot niet doden?

En als we op zo’n moment en in deze omstandigheden in staat blijken om iemand te doden, hebben we dan wel een geweten, en zo ja, wat voor een? Speelt je geweten achteraf op, heb je een trauma, word je overmand door spijt, en zo voort.

Of dit verhaal (titel XXXX) uit het boek XXXXXX van XXXXXXXXX. In een stad zit een meisje in een huis opgesloten. Iedereen uit de stad weet dat. Maar iedereen uit de stad weet ook dat het opgesloten meisje de stad voorspoed brengt. Zodra ze vrij komt, is het gedaan met de voorspoed. Dus wat doen de stadsgenoten? En is hun keuze moreel verantwoord?

Uiteindelijk is het geweten een verzameling codes die voortdurend op de proef wordt gesteld. Het is te gemakkelijk om je hypothetisch bij de ‘goeden’ te plaatsen. Alleen het moment zelf, de concrete situatie, zal het antwoord geven.

 

Wordt uw geweten soms op de proef gesteld? Door cliënten bijvoorbeeld?

 

Dat komt voor; maar elke advocaat is de eerste rechter. Ik ga niet in op zaken waarvan ik het gevoel heb dat ik mijn kennis leen voor iets wat niet hoort, of wat niet kan.

Mijn geweten is de graadmeter, en altijd bepaal ik, en niet de cliënt, de spelregels.

Als een cliënt tegen mij zegt: ‘ik wil mijn echtgenoot helemaal pluimen’, dan zeg ik, ‘ga je gang, maar niet met mij.’ In het post-Dutroux tijdperk kregen wij, advocaten in burgerrecht, veel te maken met echtscheidingen waarin de vrouw de man valselijk betichtte van seksueel misbruik van hun kinderen; ook daar paste – en pas – ik per definitie voor. ‘There’s a thin line between love and hate’, en tijdens echtscheidingsprocedures worden wij die dunne lijn bijzonder goed gewaar. Ook daar is het een kwestie van te handelen naar je gevoel van eerlijkheid, en van niet mee te gaan in het spel van de wraak. Aan een dokter vraag je toch ook niet om ‘je echtgenoot een spuitje te geven opdat hij zoveel mogelijk zou lijden en vervolgens het loodje legt’. Ik weet het, een advocaat is geen dokter, en er zijn advocaten die zich voorbij de zone van het geweten begeven. Maar toch. Waarom wordt die vraag aan onze beroepscategorie altijd als vanzelfsprekend beschouwd? Een arts zal zijn kennis en kunde toch ook ten dienste stellen van mensen die hij absoluut niet mag, of van wie hij de daden en het gedachtegoed zelfs veracht? Het is zijn taak elke mens te helpen. En het is onze taak elke mens te verdedigen.

Maar nu ik erover nadenk. Als jonge snaak ben ik ooit de raadsman van een Joegoslavische maffioso geweest. Ik slaagde erin de man, op wettelijke gronden, uit de cel en uit het land te krijgen. Die uitspraak, die terecht was, wist de Joegoslavische maffia wel te waarderen, en ik kreeg van hen  het aanbod om meer van hun leden te vertegenwoordigen.

Ik kende op die jonge leeftijd het strafrecht nog maar uitsluitend in theorie. De nieuwe en misdadige wereld overrompelde me; de Joegoslaven zaten verzeild in mensenhandel, prostitutie, georganiseerde diefstal, drugstrafiek en zo voort. Gelukkig was ik zo verstandig om ‘neen dank u wel’ te antwoorden. Ergens voel je aan of iets voor jou correct is, of niet.  Ik voelde toen dat ik, met het gebrek aan ervaring dat me typeerde, me niet in dat wespennest moest wagen. Ik zou het nu trouwens ook niet doen. (waarom niet?)

Bij dit alles wil ik nog de bedenking maken dat tegenwoordig alles in geld wordt uitgedrukt. Alimentatiegeld. Schadevergoedingen. Erfenissen. Bij een burenruzie – die hel wens ik niemand toe – heeft de ene buur de boom van de andere omgehakt. ‘Ik eis dat hij mijn boom betaalt’, zul je de man of vrouw  horen zeggen. ‘Ik eis dat hij me vergoedt voor de schade die ik heb geleden.’  Er is niemand die eist: ‘plant mij een nieuwe boom’. Een boom moet weer groeien, dat duurt te lang, het gaat om instant bevrediging, geld. Zelfs het schadeverlies van een overleden kind is een bedrag geworden.

Rechten zijn tot een consumptieproduct uitgegroeid.  Sta me toe u te zeggen dat mijn geweten, mijn gevoel voor goed en slecht, deze werkelijkheid betreurt.

 

Kan een sterke stem het geweten een bocht doen maken? Zoals u zegt: als een van de vier   een dominerende invloed uitoefent op de rest, bepaalt zijn geweten dan dat van de roeiboot?

 

Mensen – hun geweten, geheugen, zelfvertrouwen, fantasie … – maken onder elke vorm van druk rare bochten.

In het boek ‘Dubieuze Zaken’ van de Nederlander Hans Crombag wordt bijvoorbeeld nagegaan hoe bewijsmateriaal dat in een strafzaak wordt gebruikt, tot stand kan komen. Crombag brengt het baanbrekende onderzoek van Kassin en Kiechel (1996) ter sprake, die proefpersonen in een laboratorium een nieuw toetsenbord lieten uitproberen. De proefpersonen werden aangemaand om in geen geval de alt-toets in te drukken, anders zou de computer fataal crashen. Na een poos liet de proefleider de computer vastlopen, en dat uiteraard zonder dat de proefpersonen de alt-toets hadden aangeraakt. Er werd gevraagd wie de schuldige was. Er werd naar elkaar gekeken, en er volgden subtiele verdachtmakingen.

Al vrij snel ging een kleine zeventig procent van zijn proefpersonen over tot een bekentenis, en bijna dertig bleek ook echt in de eigen schuld te geloven. Zelfs wanneer er wordt gevraagd een schriftelijke schuldverklaring te ondertekenen en een boete te betalen, bekent het merendeel van de proefpersonen. Ze bekennen dus iets wat ze niet hebben gedaan. Waarom? Omdat ze de verdachtmaking niet kunnen verdragen. Omdat ze bang zijn voor represailles. Omdat ze elk reputatieverlies willen beperken. En noem maar op. De test trekt bepaalde verhoortechnieken – die als bewijsmateriaal worden gebruikt – in twijfel. Ik wil maar zeggen: de mens, en dus ook zijn geweten, handelt niet steeds rechtlijnig.

 

Er zijn criminelen die met het geweten van de mens spelen. Door bvb.  benefietacties op te zetten voor zieke kinderen die, zodra de buit binnen is, helemaal niet blijken te bestaan.  Komt u dat ook tegen? Mensen met een geweten dat zo week is dat misbruik altijd om de hoek loert?

 

Absoluut. Ik schrik misschien niet zozeer van de slechtheid van de mens; ik weet dat hij de medemens alles kan aandoen wat  je je kunt inbeelden, en ook alles wat je je niet kunt inbeelden.

Maar ik kan wel nog schrikken van de goedgelovigheid van mensen. Hoe zij erin kunnen tuimelen! Het merkwaardige is dat het hier vaak gaat om mensen van waarvan je denkt: ‘die zijn slim genoeg’. Ze hebben een geschoolde achtergrond, beschikken over een flinke portie mensenkennis en kunnen terugkijken op een zekere levenservaring.

En toch, zoals die ene cliënt van me, geloven ze dat het Afrikaanse meisje dat hen een mail heeft gestuurd, echt bestaat, en ook echt aan het bed van een stervende moeder zit. Mijn cliënt verbleef ooit in Nigeria waar het zogenaamde meisje vandaan kwam. Hij wilde geloven dat de vrouw op haar sterfbed zijn naam had genoemd. Hij wilde geloven dat het meisje zijn dochter was. Zijn gemoed en zijn geweten werden sluw bewerkt. Hij stuurde geld voor de behandeling. Bleef geld sturen. En werd, via zijn doorgespeelde bankgegevens, van alle kanten afgezet.

En dat terwijl op, onder meer,  www.419legal.org de desbetreffende mails integraal vermeld staan, onder de rubriek ‘opgelet, krijgt u een van deze mails of brieven, dan heeft u met gewiekste en goed georganiseerde fraudeurs te maken’’.

 

U bent het kind van gastarbeiders. U bent opgegroeid in de cité van WInterslag – u moet de taal van de straat en van de gewone mensen kennen.

 

Dat klopt. Ik ben opgegroeid tussen de Italianen, Turken, Marokkanen Grieken, en zo voort. Dat ik in het internationaal privaat recht ben gespecialiseerd, heeft uiteraard met mijn afkomst te maken. Ik heb altijd tussen allerhande culturen vertoefd. En zelfs mijn genen zijn gemengd.   Ik ben het kind van een Kroatische moeder en een Kroatisch-Bosnische vader. Mijn vader was mijnwerker. Mijn ouders kwamen naar Genk voor een beter leven.

Thuis spraken we Kroatisch. Op school Nederlands. Op straat bezigde ik het Italiaans: ik vind de Italiaanse woorden soms nog steeds gemakkelijker dan de Nederlandse. En als u me vraagt, wat ik dan ben – een Vlaming, een Kroaat, een migrant, … – kan ik daar niet op antwoorden. Ik weet het niet. Ik druk me goed en zelfs genuanceerd uit in het Nederlands. ik leef in een wereld waarvan ik de spelregels ken en de keuken waardeer. En toch voel ik me hier niet helemaal in thuis, het is niet de wereld waartoe ik volledig behoor.

Bovendien draag ik, zoals elke migrant, mijn naam mee, mijn achtergrond, … Een naam – ook een woord – is nooit een detail. Denk maar aan Adecco, en hoe het uitzendkantoor zich op werkkrachten zonder exotische accenten richtte.

U zegt trouwens dat ik het kind van gastarbeiders ben. Die term uit de jaren vijftig en zestig, hoor je vandaag niet meer. In het huidige Europa zijn gastarbeiders migranten geworden, vreemdelingen, allochtonen, illegalen, nieuwe Belgen, economische vluchtelingen, enzovoort. In combinatie met vreemde nationaliteiten is het begrip ‘gast’ al enige tijd verdwenen.

Ik zei het al. Met taal kun je controleren. En met een en hetzelfde woord kun je een huis bouwen, en een huis vernietigen. Waarom klinkt een moordgriet als een vrouw die je zeker wil ontmoeten, en is een moordenaar iemand bij wie je best uit de buurt blijft? Zegt u het me maar.

 

Ik heb een sterk vermoeden dat er in de cité van Winterslag weinig zonen van gastarbeiders advocaat zijn geworden…

 

Dat ik me intellectueel heb mogen ontwikkelen, heb ik aan mijn vader te danken. Hij was een uiterst belezen man. Hij liet boeken uit Kroatië meebrengen, en als hij tijd had, zat hij altijd te lezen. Mijn vader heeft, gesteund door mijn moeder, van meet af aan benadrukt dat hij voor ons, zijn zoon en dochter, een beter leven wilde dan het hunne. Hij wilde dat we keuzes konden maken. Dat we andere opties hadden dan te moeten afdalen in een steenkoolmijn.

In de cité hebben de meeste zonen hun vaders  opgevolgd. En toen de mijnen sloten, stond iedereen op straat.

Ik, die misschien veel minder begaafd was dan enkele van mijn vrienden, werd door mijn ouders naar een internaat gestuurd. Voor een migrantenfamilie was dat indertijd, en vermoedelijk nog steeds, een zeer ongewone stap. Maar thuis, in Winterslag, zo vreesden mijn ouders, zou ik me aansluiten bij het leven van de cité. Ze hadden gelijk.

 

 

Het gaat niet goed met de jonge gasten uit de cité van vroeger; er is geen werk, er zijn geen werkende vaders, de criminaliteit wenkt en de gevangenis wacht. Wie heeft de mislukking van het integratiedebat op zijn geweten, of is er geen sprake van een mislukking?

 

Jawel, er is zeker sprake van mislukking. Al in de jaren tachtig, toen de werkloosheid in deze buurten dagelijkse kost was, werd het integratiedebat gemonopoliseerd door uiterst rechts. Van een discussie was geen spraken, er waren geen intellectuele gronden, alles dreef op populistische uitspraken en goedkope visies.

In feite is het hele integratievraagstuk een aaneenschakeling van gemiste kansen. Van de poltiek, het bedrijfsleven, de Vlamingen, de migranten, … Links heeft nooit durven benoemen wat rechts aankaartte. Durft dat nog stees niet. Waarom kan er niet vrijuit gesproken worden over de absolute schande die importbruiden heet? Dat soort huwelijken zijn een aanslag op de menselijkheid, en op de Westerse levenswijze. Waarom durft men dat debat niet voeren? Het moet gevoerd worden. Het mag geen thema van rechts zijn. Het is een thema van iedereen die naar een betere wereld streeft. Zal ik u eens meenemen naar panden waar die vrouwen opgesloten wonen, zonder contact met de buitenwereld, zonder taal?

 

Waarom durfden en durven migranten dat debat ook zelf niet aan te wakkeren?

 

Akkoord. Maar ik noem migranten de ‘nieuwe vrouwen’. Tot voor kort moesten vrouwen nog steeds dubbel presteren om zich te bewijzen, en om op dezelfde erkenning te kunnen rekenen als een man die slechts middelmatig presteerde. Ik maak van migranten geen slachtoffers, maar ik weet uit eigen ervaring dat vreemdelingen nu de nieuwe vrouwen zijn. Ze moeten tegen betonnen vooroordelen opboksen. Ze vechten met de taal, en met het huis van de taal waarin ze wonen. Zelfs ik, die nochtans erg mondig ben, voel de beperkingen van de taal.

Het zou al een goed begin zijn als migranten met talent en ambitie, net zoals hun autochtone medemens,  op een goede baan zouden kunnen rekenen, zodat ze zich kunnen ontwikkelen en als rolmodel kunnen functioneren. En zodat ik, zoals zopas nog aan het Justitiepaleis in Brussel, niet op taferelen stuit waarin een Marokkaanse, gesluierde vrouw een sigaret staat te roken, en waarin uitgekafferd wordt door een Marokkaanse man die voorbij wandelt: ‘je bezoedelt ons en je bent een belediging voor je sekse’. Vreselijk.

 

Heeft u zichzelf ooit als een rolmodel voor de jongens uit de cité gezien?

 

Neen, niet echt. Mijn vader, die was een rolmodel.