Jaren geleden woonde ik in een verwaarloosd huis in het hart van een dennenbos, omringd door stilte die grensde aan absoluutheid, – de stilte die klinkt nadat een revolverschot is afgegaan.’

Het is moeilijk om, bij het betreden van Brouwers afgelegen stulp in Zutendaal, niet te denken aan deze openingszin van De Zondvloed, Brouwers magnum opus dat in 1988 verscheen, en waarvan hij, tijdens dit interview, zal zeggen dat het de beste roman uit zijn oeuvre is.

De schrijver, met een karakter dat minstens even weerbarstig is als zijn wenkbrauwen, schreef deze eerste zin – en de hele roman – toen hij in de Nederlandse Achterhoek woonde. ‘Maar dat paradijs uit De Zondvloed bestaat echt. Het was Huize Krekelbos in de Kempen nabij Rijmenam, waar ik me in de jaren zeventig heb teruggetrokken.’

Brouwers huidige woning is, in tegenstelling tot dat uit De Zondvloed, niet verwaarloosd, wel oogt hij ascetisch. Hij staat niet in het hart van een dennenbos, maar in een natuurgebied vol loofbomen – al is dit noordoosten van Limburg wel erg dennenrijk.

In 2011 ging in deze Zutendaalse stilte voor het eerst een revolverschot af: het huis bleek zonder bouwvergunning te zijn opgetrokken – dat was voor de schrijver geen nieuws, dat wist hij van bij de aankoop. Maar nu werd hij gerechtelijk verplicht zijn stulp te slopen; een verdict waartegen Brouwers in beroep ging, met vier jaar uitstel als gevolg. Die uitstelperiode liep vorige week af. Op 24 september kwam de zaak opnieuw voor. Het vonnis van de Rechtbank van Antwerpen klonk, dat is inmiddels bekend, als een genadeschot: de schrijver moet zijn woning binnen het jaar afbreken. Noli me tangere, de Latijnse blijf-van-me-af- spreuk die al twee decennia zijn gevel siert, leest vandaag als pure ironie.

Laconiek

Jeroen Brouwers, met een adem die piepend door zijn luchtpijpprothese jaagt – het resultaat van meerdere mislukte operaties die een kinderkeelziekte moesten verhelpen: ‘Het is godverdomme erg treurig allemaal, maar ik probeer er laconiek onder te blijven. Natuurlijk ben ik in overtreding . Mijn huis is zonder bouwvergunning neergezet in een natuurgebied en ik had het niet moeten kopen. Anderzijds heb ik hier 21 jaar gelukkig gewoond in onverstoorde stilte. Ik kon hier tussen het groen mijn prachtboeken schrijven. Het huis nu te moeten afbreken is als te worden gedwongen een dierbare te vermoorden. Ik heb grote rust nodig om te kunnen schrijven. Vandaar die noli me tangere. Men moet uit mijn tuin blijven, anders kan ik niet doen wat ik moet doen.

Gwennie, mijn vrouw, is de enige persoon ter wereld die ik niet zou kunnen missen; zij moet absoluut blijven leven. Maar buiten haar (Gwennie Debergh, prof. dr. in de letteren, mvds) zie ik nooit iemand. Af en toe moet ik naar de bakker of naar de garage met mijn wagen, ja. Daar zegt dan iemand:‘Ah, de inspiratie blijft blijkbaar maar vloeien, hè, meneer.’ ‘Ik heb geen inspiratie, hoor. Heeft u inspiratie als u ’s ochtends de garage of de bakkerij opendoet?’ antwoord ik dan. Zulke praatjes maken me ziedend.

Mensen willen zo graag geloven dat een boek als een geschenk uit de lucht valt– plof, daar hebben we er weer eentje.’

Dezer dagen komt er, met dank aan uw nieuwe roman en helaas ook aan de rechtbank van Antwerpen, weer veel pers over de vloer. Bovendien houden de media van ronde getallen: u wordt binnen een half jaar 75 en u bent vijftig jaar schrijver. Dat feest – of dat circus zoals u literaire feesten doorgaans noemt – moet een nachtmerrie zijn.

Zwijg erover. Jullie zijn de eersten van een hele hoop. Dat geluk heb je. Ik heb nog geen twintig keer moeten zeggen dat ik, toen ik op pensionaat zat, echt niet misbruikt ben geweest zoals enkele personages in Het hout. Hoe autobiografisch is dit verhaal, meneer Brouwers? Hoe autobiografisch zijn al mijn verhalen? Vormen al mijn boeken samen een reconstructie van mijn leven en mijn persoon? Natuurlijk niet. Autobiografie moet je niet letterlijk nemen. Het is een middel. Alles in mijn leven vormt materie voor de literatuur. Alles is bruikbaar. Daarnaast is in een roman ook alles geoorloofd, zolang wat je schrijft maar geloofwaardig is. Of de lezer vervolgens gelooft wat er staat, interesseert me geen zak.

Nee dus, ik werd op het pensionaat – en ik heb tussen mijn tiende en mijn zeventiende op drie verschillende kostscholen gezeten – niet seksueel misbruikt. Maar de sfeer van sadisme en seksuele wandaden hing in die gebouwen. En de licht elastische strijkstok van pernambukhout, waarnaar de titel verwijst, bestond echt; ik heb er klappen van gekregen en kan me het zoevend geluid nu nog voor de geest halen.

Iedereen rook wat er in die pensionaten gebeurde. Maar er werd – door broeders en kinderen – gezwegen, zoals er binnen de katholieke kerk altijd gezwegen werd en wordt. Dat wil niet zeggen dat bij sommigen, zoals bij kloosterling Bonaventura in mijn boek, het geweten niet knaagde.

Het recente rapport van de commissie Deetman, waarin het seksueel misbruik van minderjarigen binnen de katholieke kerk van Nederland werd onderzocht, ken ik uit mijn hoofd. Zelfs in dat rapport zie je hoe de waarheid, ten gunste van bepaalde bisschoppen, nog altijd gesluierd wordt. Zo vele jaren na de feiten blijft men uit schaamte om wat heeft plaatsgevonden nog steeds zwijgen.

U moet toch ook blij zijn met de aandacht die dit boek zuigt?

Ja, stel je toch eens voor dat deze aandacht in verkoopcijfers zal weerspiegeld worden, stel je voor dat ik voor dit werk loon naar werken krijg!

Ik zeg al mijn leven lang tegen mezelf dat ik een mislukt schrijver ben, want dat ik niet van mijn vak leven. Kunnen leven van je beroep is voor mij nog altijd de sleutel van succes. In literaire zin voel ik me geen mislukte schrijver. Maar in maatschappelijke zin wel: ik kan mismoedig worden als er geen boeken worden verkocht. Erkenning zit, dat standpunt van mij is bekend, vooral in de verkoopcijfers.

Wat schiet je ermee op als je boek de hemel in wordt geprezen, maar voor geen meter verkoopt? Een bakker bakt zijn brood toch ook niet om het in de etalage te laten liggen.

Ach, natuurlijk streelt de aandacht ook mijn ziel. Juist omdat ik hier zo ver van de wereld verwijderd ben, en geen idee heb wat er daar allemaal gebeurt. Maar ik zal aan geen enkel tv-programma deelnemen, hoe vaak ze me ook bellen. De tv biedt toch alleen nog maar een hoop stront. En ik ben een schrijver. Lees m’n boeken maar. Ik heb er bijna tachtig geschreven. Die vertellen meer dan uit mijn mond zal komen. Bovendien ben ik verbaal niet eloquent. Mijn pen is zoveel beter dan mijn tong. A l’improviste praten lukt me slechts moeizaam.

Op Facebook verschenen de jongste maand talrijke boekenlijstjes. Top 10’s die als een estafettestok werden doorgegeven aan literatuurminnende FB-vrienden. U komt opvallend vaak in die lijstjes voor. Met verschillende werken: van Hamerstukken tot Bezonken Rood, van Vlaamse jaren tot Kroniek van een karakter…

Wat weet ik daar nou van? Ik ken dat hele Facebook niet. Maar als het waar is wat je zegt, heb ik sporen achtergelaten, en misschien heb ik dus niet geheel voor niets geleefd. Maar nogmaals: literair ben ik geen mislukt schrijver, maatschappelijk wel.

Dankzij Het hout gaat u nog geld verdienen met de katholieke kerk. Een vorm van schadevergoeding voor uw jeugdtrauma.

Het katholicisme heeft me gevormd, net zoals Indië, Batavia en de Jappenkampen (ook leitmotiven in Brouwers oeuvre, mvds) me hebben gevormd. Maar ik heb aan de pensionaten geen trauma overgehouden. En de schade die er berokkend is, valt niet goed te maken.

Ik vind het katholicisme verachtelijk, zoals ik alle religies verachtelijk vind.

Dat mijn ouders mij, en ook de andere kinderen van ons gezin, in die cruciale tienerjaren naar een pensionaat hebben gestuurd, neem ik hen tot op de dag van vandaag kwalijk. Het was niet nodig om ons naar zo’n kil en wereldvreemd oord, te sturen, waar we een hele maand moesten blijven en dan een weekend naar huis mochten. Nee, ik denk niet met liefde aan mijn ouders terug. Al begrijp ik dat ook zij hun geschiedenis meedroegen, zoals de Jappenkampen.

 

 

 

 foto’s: Stephan Vanfleteren

Na de oorlog keerden we van Indonesië weer naar Nederland. Ik heb de pech gehad dat het in die tijd bon ton was voor Indische mensen in Nederland om hun kinderen naar een kostschool te sturen. Met die keuze gaven ze aan tot de betere kringen te behoren, ook al was dat helemaal niet het geval.

Zelfs de kerstdagen brachten we tussen de broeders door. De kleinste jongen mocht het kindje Jezus in de krib leggen. Gelukkig was ik die kleinste jongen niet. Ik was wel een goede misdienaar. Ik ken de hele mis nog altijd uit mijn hoofd. Sterker, op zondagochtend – in de kostschool het moment waarop we een brief naar onze ouders moesten schrijven – staat hier nog steeds de eucharistieviering aan. Niet dat ik ga zitten om ernaar te kijken, maar ik zet dat tv-programma wel op en word telkens door een zekere melancholie overvallen. Ik betreur dat de eucharistievieringen te veel toegevingen aan de moderne tijd hebben gedaan. Waarom is er geen Latijn meer? Waarom staat de priester met zijn gezicht in plaats van met zijn rug naar de kerk gekeerd? Die kniebuigingen halen het mystieke eraf. Ze hadden ervan moeten afblijven.

Heeft u in die pensionaten, waar het vaak stil moest zijn, niet rustig kunnen lezen?`

Nee hoor. Buiten de bijbel – en het Oude Testament is prachtig, met z’n symboliek, z’n rijke taal, etc. – en een reeks boeken die ook in de klas werden gebruikt, viel er niets te rapen.

In mijn tienerjaren heb ik wel twee keer een boek de kostschool binnengesmokkeld. Welke werken dat waren? Beloof me dat je niet zult lachen. Boefje, van Marie Joseph Brusse; ik heb dat kwajongensboek zelfs nog. En Erik of het klein insectenboek van Bomans.

Toen ik zeventien was en de deuren van het pensionaat achter me dichtsloeg, nam ik de bibliotheekkaart van mijn moeder. In de bibliotheek van Delft las ik alles wat er in de afdeling literatuur voor volwassenen lezen viel. Ik deed dat zonder enig inzicht of visie. Ik begon bij de letter a en eindigde bij de z en las groen en rijp door elkaar. De hele jeugdliteratuur heb ik dus overgeslagen: Winnetou, Old Shatterhand of Arendsoog gingen aan me voorbij.

Pas in een later stadium ben ik gerichter gaan lezen: Mulisch, Reve, Hermans, … Het gevolg daarvan is bekend.

U besloot zelf te gaan schrijven.

Ik vroeg mezelf af: waartoe ben ik hier op aarde.

Intussen ben ik vijftig jaar schrijver. Je zal in dit taalgebied lang mogen zoeken naar nog iemand die dit kan zeggen.

Ja, ik ben tevreden over mijn aards bestaan. Ik heb niet stil gezeten. Ik ga niet lui dood. Ik ben nooit gemakzuchtig geweest. Het evangelie – dat katholicisme zit in me als een anker in cement – zegt: je dient te woekeren met je talenten. Dat heb ik gedaan.

Is schrijven een vorm van monnikenwerk?

Heb je het manuscript van Het hout gezien? Het hangt nu aan het plafond van boekhandel en antiquariaat Demian, in Antwerpen. Dat boek is het enige dat ik aan het hoofd van deze tafel waaraan we nu zitten, heb geschreven. Ik kan, met dat versleten lijf, de trap naar mijn werkkamer niet meer op.

In boekvorm telt Het hout bijna driehonderd bladzijden. Ik schrijf op grote vellen: mijn manuscript telt er negenenzeventig. Soms, als ik aan het schrijven ben, moet ik nagaan of ik een bepaald woord of een bepaalde verwijzing niet al eerder heb gebruikt. Ik kan die bewuste passage altijd snel vinden. Ik weet zeer goed wat op het drieëntwintigste of het vijfendertigste vel staat; ben mijn eigen zoek-functie.

Mijn manuscript herschrijf ik soms tot vijf keer aan toe, een contemplatieve bezigheid. Schrijven doe ik met inkt. Overschrijven met potlood. Ik kan ook uren– en dagenlang naar dat ene juiste woord zoeken. Ik zoek natuurlijk geen synoniemen. Ik zoek dat ene juiste woord dat ik, als ik het heb gevonden, in de desbetreffende zin, alinea, context giet. Soms blijkt dat woord, of die beschrijving, dan toch onbruikbaar. Dan begin ik opnieuw. Die traagheid is essentieel.

Uw jongste manuscripten bestaan uit grote, hoekige letters.

Dat komt door die kleine herseninfarcten die ik heb gehad, een aantal jaar geleden, toen ik midden in mijn roman Bittere Bloemen zat. Aanvankelijk kon mijn rechterhand helemaal niets meer. Zelfs een aansteker pakken – ik rook nog steeds als een ketter, nou en? – kon ik niet. Dat maakte me wanhopig. Wat moest ik zonder mijn vak? Ik, die wil schrijven tot ik erbij neerval? Ik kon toch niet gaan zitten staren en niet langer doen wat ik mijn hele leven had gedaan?

De fysiotherapeut heeft me geholpen, hij heeft mijn hand maandenlang kleine, elektrische stoten gegeven. Geleidelijk aan kwam er weer enige beweging in. Maar ik moest mezelf echt tot het schrijven dwingen. Hele vellen heb ik volgeschreven met de letters a en b, net een kind.

U zou met uw linkerhand, die wel nog goed functioneert, ook op een toetsenbord kunnen tikken.

Alsjeblieft! Het komt niet in me op om per computer te schrijven. Wie met de computer schrijft, is van zijn tekst verwijderd; tussen het scherm en de vingers op het toetsenbord gaapt een kloof. Die afstand tussen mij en mijn woorden verdraag ik niet. Het is niet alleen afstand in ruimte.

Als ik met de pen schrijf, vloeit de inkt als mijn bloed op het papier. De inkt is mijn hartslag, hij drukt mijn gemoed uit op het blad: je ziet de vlekken, de doorhalingen, de krullen die verbanden aanduiden,…

De computer werkt, wereldwijd, met standaardlettertypes die op het scherm, verticaal, aan je verschijnen, of door machines geprint worden. Er zit geen karakter in dat resultaat. Wat je schrijft ziet er, door die steriele weergave, ook al van meet af aan als een boek uit, puur bedrog.

Je gaat mij niet vertellen dat deze technologie geen invloed heeft op het uiteindelijke werk. Ik merk bij de jongere generatie schrijvers – nee, ik noem geen namen – een gemakzucht op, een te snelle tevredenheid. Ze stellen niet de vraag of het nog beter kan. Ze zoeken niet dagenlang naar dat ene woord of die ene juist beschrijving.

Ja, ik heb een iPadje: ik verstuur er berichten mee. Daar houdt het zo ongeveer mee op.

Hebben die infarcten u banger gemaakt van de dood die op de loer ligt?

Ik weet dat het binnenkort voorbij zal zijn. Morgen. Overmorgen. Binnen afzienbare tijd. Ik hoop dat het tijdens mijn slaap gebeurt, dat dood gaan. En ik had in dit huis, in deze omgeving, willen sterven. Waar moet ik, oude boom, een andere plek vinden om nog te wortelen? Mijn advocaten overwegen de mogelijkheid tot cassatie. Als die wordt ingewilligd, blijf ik hier nog wel een poosje in de schaduw van het monument dat Zutendaal te mijner eer heeft neergezet. Of misschien moet dat monument (een kolos van een stenen beeld dat opeengestapelde boeken voorstelt, gemaakt door de kunstenaar Gerard Bijnens, mvds) nu ook weg?

Gwennie en ik praten dagelijks over de naderende dood. Over de literaire nalatenschap. En over de praktische kant. Ze moeten me verbranden. Ik wil niet begraven worden. Ik ben bang van die kuil, ik heb angstdromen van mezelf, liggend in die kuil, met een dood lichaam, maar met een geest die blijft doordraaien. Die gedachte maakt me claustrofobisch.

 

Je moet eens zo’n begraafplaats bezoeken. Soms zijn de grafkuilen tot drie meter diep. Dan lig je daar, opgesloten in die kist, die ook nog eens zo diep in de grond zit Cremeren, dat is een klus van zeven minuten en het is klaar.

Onlangs hebben ze in Amsterdam nog een kerk gerestaureerd. Stootten ze op de schedel van Rembrandt en op de botten van Vondel. Ook dat vind ik een ondraaglijke gedachte, dat ze zelfs na honderden jaren niet van je kunnen afblijven.

 

U maakt het zichzelf ook niet gemakkelijk. U heeft met Het hout voor misschien wel de meest veeleisende literaire tekstvorm, de roman, gekozen? U had een brievenboek kunnen samenstellen, een polemiek kunnen voeren, zich aan korte verhalen of een novelle kunnen wijden. Misschien zelfs gedichten kunnen schrijven. Iets dat, eventueel, minder fysieke kracht vereist?

 

Zo werkt het niet. Iets dient zich aan. En je begint te werken.

Poëzie is trouwens het enige literaire genre dat ik nooit heb beoefend. O, en ik heb nooit theaterteksten geschreven, dat ook. Ik kan het niet. Het lukt me niet, wat jammer is, want toneel schrijven wordt, in tegenstelling tot alle andere tekstvormen, goed betaald.

Werken van mij die opgevoerd worden, zoals Bezonken rood en Zonsopgangen boven zee, zijn door anderen tot theater omgebouwd.

En poëzie: ach, ik zal zeggen dat er een aantal probeersels onder mijn matras liggen, en het is aan jou om dat te geloven of niet. Natuurlijk ligt de taalgevoeligheid me. Maar poëzie is me te klein. Ik heb ruimte nodig.

Het hout was trouwens voorbestemd om een opera te worden. Matthijs Vos, een Nederlandse componist, wilde samen met mij een opera schrijven. Maar Vos haakte halverwege af.

U houdt van opera. En dan bedoel ik: van aangezette emoties, aangedikte symboliek en vieringen vol grote gebaren. Nog een restant van het katholicisme.

Al mijn boeken bevatten muzikaliteit. Sommige zijn volgens een muzikaal stramien opgebouwd. In Geheime kamers speelt een operazangeres een hoofdrol. In al mijn boeken lees je trouwens ook mijn schilderstalent, verbaal weliswaar.

Ik zie Het hout nog altijd als een opera. Of als een film. Er is nog nooit een boek van me verfilmd. Dat vind ik wel jammer. Toen Geheime Kamers uitkwam, is er lange tijd sprake van geweest om dat boek te verfilmen. Daarna heb ik er nooit meer iets van gehoord.

Ik zou heel graag willen dat Het hout verfilmd wordt. Dat zou ik nog wel willen meemaken. Ik zie alles ook al heel goed voor me. De kunst van de romanschrijver bestaat er juist in om de dingen en de mensen zo te beschrijven dat ze tot leven worden gewerkt. O ja, en Stijn Coninx moet die film regisseren, dat spreekt. Coninx heeft Boons Pieter Daens verfilmd.

U heeft de afgelopen vijftig jaar dus zo goed als alle literaire genres beoefend. In welk voelt u zich het meest thuis?

Mijn oeuvre staat daar, het vult twee kasten op de gang, nabij het toilet. De boeken die ik heb geschreven zijn goed, maar het echte meesterwerk moet nog komen. Dat denk ik nog altijd.
Toen ik aan De Zondvloed bezig was, dacht ik: hier moet alles in staan, dit moet literair voortreffelijk zijn. De Zondvloed benadert voor mij het meest mijn idee van een meesterwerk. Het is de roman waarover ik het meest tevreden ben. Het zwoegen eraan heeft acht jaar in beslag genomen. Vooral de vorm was zweten: hoe krijg je al die lagen en verhalen verteld. Om daarin te slagen heb je een enorme concentratie nodig.

Vele boeken die ik heb geschreven, blijken uiteindelijk niet de symfonie te bevatten die ik hoorde toen ik ermee bezig was. Ze voldoen niet aan het beeld dat ik van hen vooropgesteld had. Dat hoort bij het vak: het resultaat is altijd minder dan je voor ogen had, zelfs bij een meesterwerk.

Maar om terug te komen op je vraag: ik vind mezelf in de eerste plaats een essayist, veel meer dan een schrijver. Ik werk ook veel liever aan essays dan aan een roman. Essayistiek – zoals De laatste Deur, essays over de zelfmoord in de Nederlandstalige letteren (1983) – is een sterk ondergewaardeerd genre. Alleen al voor die essays heb ik me vijf jaar lang grondig gedocumenteerd, als een wetenschapper. Dus als mensen dan denken dat een boek als een geschenk uit de lucht komt vallen?

Een roman is een groot avontuur. Je weet niet wat er zal gebeuren. Een essay vereist strakke beteugeling. Net zoals een polemiek. Die begin je met kwaadheid: waarom ben je kwaad, wat wil je de ander verwijten, waar wil je uitkomen, en wat zijn je muurvaste argumenten. Ik heb veel lol aan polemiek beleefd, maar het genre, dat trekken van het cabaret bezit, wordt vandaag niet meer beoefend. Het werd überhaupt al zeer sporadisch beoefend, door Lodewijk Van Deyssel en W.F. Hermans bijvoorbeeld. Terwijl het een mooi genre is. Mijn grote polemiek over de Taalunie, waarin ik schuimend van leer trek tegen ministertje Plasterk, leest als een roman, maar was veel makkelijker om te schrijven.(dit vloekschrift kreeg de titel Sisyphus’ bakens, mvds)

Volgend jaar wordt de Grote Prijs voor Nederlandse Letteren, van de Taalunie, weer uitgereikt. U weigerde hem in 2007 omdat u het bedrag van 16.000 euro vernederend vond. Dat bedrag is dankzij uw interventie en waarschijnlijk ook dankzij Sisyphus bakens, nu tot 40.000 opgetrokken. De kans bestaat dat u hem zal winnen.

Ik heb die prijs destijds vooral geweigerd omdat ik kabouter Plasterk (toenmalig minister van Cultuur van Nederland) een verwerpelijk creatuur vond. Bert Anciaux gaf me gelijk toen ik dat bedrag een aanfluiting voor mijn schrijverschap noemde, hij heeft me erover gebeld en gezegd ‘ik schaam me’. Ze kunnen, als het om eer en erkenning gaat, in dit geval beter helemaal geen geld geven, in plaats van een bedrag dat slechts 2000 euro meer is dan de Nederlandse debutantenprijs. Maar Plasterk moest zich weer eens autoritair gedragen tegenover de Vlamingen, hij moest Anciaux weer eens kunnen negeren. Dat Nederlandse superioriteitsgevoel ten opzichte van Vlaanderen is er nog altijd. Dat verdraag ik niet.

U heeft zich anders, in polemieken, geen enkele moeite gespaard om Vlaamse auteurs de mantel uit te vegen. Toen u bij uitgeverij Manteau werkte, heeft u meerdere Vlaamse auteurs verweten dat ze hun taal niet beheersten, knoeiers waren.

Dat is lang geleden. En een aantal zaken die ik toen heb gehekeld, zijn intussen veranderd. Ik heb in Het hout bewust Zuid-Nederlandse woorden opgenomen. Bij de uitgever wilden ze die – plaasteren, nefast en nog een handvol andere – er natuurlijk meteen uithalen, dat is de reflex. Maar ze moeten niet aan mijn woorden komen. Mijn taal is van mij, ze is mijn huis

 

 

 

Jeroen brouwers