Toch bleef haar amusement onvolledig. Dat zag ze zelf in. ‘Ik voel
me als een dikke vrouw die zich voor het bereiken van het
slankheidsideaal dermate uitslooft dat het resultaat er, behalve
ondermaats, vooral zielig uitziet’, zei ze.

Tegelijkertijd wekte de weduwe altijd de indruk iets te willen
inhalen. Of iets te willen terugvinden wat ze, onderweg van haar lange
huwelijk, was verloren. Het was onduidelijk wat dat was.

Als ze over wijlen haar man sprak, deed ze dat meestal in woorden
vol lof en heimwee. Maar niet altijd. Op onbewaakte momenten verliet ze
de gebaande paden, en werd de toon waarmee ze over hem sprak agressief.

Op zo’n onbewaakt moment heb ik haar anders zo zachte ogen gif zien
spuiten. In een fractie van een seconde gaf ze een dodelijke injectie
vol wrok en bitterheid aan de wereld die haar omringde. En met haar
vuist op tafel sloeg ze wijlen haar man nog een tweede keer dood.

De weduwe had juist naar een jeugdliefde – drieënnegentig jaar oud –
gebeld. Diens echtgenote had de telefoon aangenomen. Toen die hoorde
wie ze aan de lijn had, had ze gezegd: ‘Mijn man is er niet, en voor u
is hij er nooit.’

‘Ik zal je iets zeggen’, riep de plots boosaardig uitziende weduwe
uit. ‘Als deze vrouw niet had bestaan, als deze feeks niet elk contact
tussen haar man en mij onmogelijk had gemaakt, was ik nu met hem
getrouwd. Dan waren we gelukkig. Allebei.’