Knack Interviewt: Margot Vanderstraeten

 

Schrijfsters tussen dorp en wereld
Knack – 05 Nov. 2014
Pagina 48

Ann Peuteman

Margot Vanderstraeten en Ann De Craemer  hebben allebei een nieuwe roman uit, maar zijn in alles elkaars tegenpolen. Een gesprek over familie, terrorisme en het belang van kunst. ‘Weet je wat Cecilia Bartoli me onlangs zei? Dat we depressieve patiënten beter ook een bezoek aan de opera zouden voorschrijven.’

Het is een van die opvallend warme herfstdagen. Op het verlaten terras van de Gentse Vooruit zoeken Ann De Craemer en Margot Vanderstraeten een plekje in de zon. Twee schrijvende Vlaamse vrouwen die allebei een nieuwe roman uit hebben. Maar daar houdt elke gelijkenis op. Vanderstraeten is een veertiger met Limburgse wortels die breed glimlachend binnenstapt en meteen honderduit begint te praten. De jongere, West-Vlaamse De Craemer is terughoudender. Tijdens het gesprek zal er ook geen onderwerp uit de kast kunnen worden gehaald waar ze het echt over eens zijn.
Net zo onvergelijkbaar als zijzelf zijn hun romans. In Kwikzilver vertelt Ann De Craemer hoe haar grootmoeder na een onteigening gedwongen wordt om haar huis op het platteland in te ruilen voor een serviceflat in de stad. Elk familieverhaal dat ze ophaalt, elke dialoog die ze neerpent, ademt het diepe Vlaanderen.

Helemaal anders gaat het in Het vlindereffect van Margot Vanderstraeten toe: de hoofdpersoon is Angela, een Amerikaanse vrouw die na tien jaar terugkeert naar het luxehotel in Mumbai waar zij en haar zoon een terroristische aanslag hebben meegemaakt. ‘Er zit inderdaad niets Vlaams in mijn boek – toch niet rechtstreeks. Dat komt vooral doordat ik genoeg had van de kleinheid van de politiek en van de navelstaarderij die hier almaar toeneemt, terwijl de wereld steeds groter en toegankelijker wordt’, zegt Vanderstraeten.

Bent u niet bang dat uw Vlaamse lezers zich niet genoeg in uw verhaal zullen kunnen herkennen?

MARGOT VANDERSTRAETEN: Nee, want ik heb geprobeerd om een soort universele herkenbaarheid te creëren. Ieder mens zou zich er voor een stuk in moeten kunnen herkennen, want het boek gaat over liefde, verdriet, overlevingsdrang, lafheid, haat en zelfbescherming. Al vind ik bevreemding eigenlijk even belangrijk als herkenbaarheid.

ANN DE CRAEMER: Mensen zeggen me vaak dat ze mijn boek graag hebben gelezen omdat ze de situaties die ik beschrijf zo goed kennen. Ik weet dat sommige schrijvers daar niet blij mee zouden zijn, maar ik wel. Ik trek me ook niets aan van recensenten die beweren dat ik meer afstand van mijn grootmoeders verhaal had moeten nemen.

Screen Shot 2014-11-05 at 14.50.45
VANDERSTRAETEN: Ik heb soms wel afstand nodig. De indrukken die ik in Mumbai heb opgedaan toen ik er informatie voor mijn boek verzamelde, heb ik moeten laten bezinken voor ik er fictie van kon maken. Als je als westerling in India terechtkomt, word je overweldigd door de mensen, de geluiden, de geuren. Ik heb al die indrukken gedoseerd en gefilterd tot er net genoeg overbleef om de stad nog te kunnen ruiken en voelen. Hetzelfde met de gruwelijke verhalen die overlevenden van de aanslagen me vertelden: voor ik mijn verbeelding daarop kon loslaten, moest ik er afstand van nemen.

DE CRAEMER: Bij mij was dat niet nodig omdat mijn verhaal over mijn eigen familie gaat. Er afstand van nemen, zou bijna als verraad hebben gevoeld. Vooraf heb ik mijn moeder trouwens naar haar mening gevraagd en ze was niet meteen enthousiast. Heel begrijpelijk, want ze wist dat ik ook een familieruzie in mijn boek zou verwerken. Dat ze me uiteindelijk niet heeft tegengehouden, zie ik als een bewijs van haar groothartigheid.

VANDERSTRAETEN: Wat had je gedaan als ze zich ertegen had verzet?

DE CRAEMER: Dan had ik Kwikzilver niet geschreven. Wellicht had ik dan gewacht tot mijn moeder er niet meer was. (denkt na) Andere schrijvers hebben daar blijkbaar veel minder moeite mee. Door wat hij in De helaasheid der dingen heeft geschreven, is Dimitri Verhulst bijvoorbeeld niet meer on speaking terms met zijn familie. Hij heeft dat ervoor over, maar ik zou die prijs nooit willen betalen.

Zowel in Het vlindereffect als in Kwikzilver blijkt de familie waarin een mens wordt geboren ontzettend bepalend te zijn voor het verdere verloop van zijn leven. Voelen jullie dat zelf ook zo aan?

DE CRAEMER:Dat ik me nooit echt op mijn plaats voel op literaire evenementen of recepties heeft volgens mij te maken met het West-Vlaamse arbeidersgezin waaruit ik kom. Doordat ik daar ben opgegroeid, kan ik moeilijk om met geklets en pronkerigheid.

VANDERSTRAETEN: Denk je dat echt? Ik ken geen enkele schrijver die zich in die kringen thuis voelt. Je nergens thuis voelen, is volgens mij zelfs een basisingrediënt om te schrijven.

DE CRAEMER: Toch denk ik dat mijn afkomst dat gevoel nog versterkt. Toen ik hier in Gent Germaanse Talen studeerde, kreeg ik thuis geregeld te horen dat ik niet te veel moeilijke woorden moest gebruiken en vooral geen dikke nek mocht krijgen. Nog altijd vinden mijn ouders het een beetje raar dat ik boeken schrijf. Als ik op televisie over literatuur of over het postmodernisme zit te praten, schaam ik me zelfs bijna. Dan hoor ik de woorden van mijn ouders in mijn hoofd: ‘Doe toch eens normaal.’

VANDERSTRAETEN: Je bent jonger dan ik, je zult je met de jaren wel meer vrij vechten.

DE CRAEMER: Ik heb ooit geprobeerd om Tielt achter me te laten. Ik had genoeg van de kneuterige West-Vlaamse mentaliteit en wilde bewijzen dat ik in Brussel kon wonen. Amper drie jaar heb ik het volgehouden. Ik miste Tielt zo erg dat ik er bijna fysiek onwel van werd, en dus ben ik uiteindelijk teruggekeerd.

VANDERSTRAETEN: Je roots ontstijgen heeft in mijn ogen niet zoveel met geografie te maken. Het is vooral een geestelijke oefening: je moet je eigen weg, je eigen stem zoeken. Ik heb een illusie van minimale vrijheid nodig. Ik heb, bewust, geen kinderen. Ik ben, ook bewust, een freelancer. Verder houdt die vrijheid ook reizen in. Dat mijn man ook elders kan werken, helpt natuurlijk. (lacht)

DE CRAEMER: Ik reis ook wel graag, maar een noodzaak is dat voor mij niet. Een paar jaar geleden ben ik naar Iran getrokken om er materiaal te verzamelen voor een boek. Het was de bedoeling dat ik er drie maanden zou blijven, maar na een maand braken er in Teheran zware rellen uit en moest ik vertrekken. Ik vond dat natuurlijk heel jammer, maar diep in mijn binnenste was ik blij om naar huis te gaan. Als ik een maand weg ben, begin ik thuis gewoon te missen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Screen Shot 2014-11-05 at 14.43.52

VANDERSTRAETEN: Maar wát mis je dan?

DE CRAEMER: Alles. Mijn familie, mijn huis, mijn fiets om door de velden te gaan rijden.

VANDERSTRAETEN: Weet je wat ik ook zo fijn vind aan reizen? Dat ik dan soms in landen kom waar ik de taal niet begrijp. Dan vallen alle overbodige gesprekken weg en zit ik in een cocon waarin ik me helemaal op het schrijven kan concentreren. De beste hoofdstukken van mijn boek heb ik elders geschreven.

DE CRAEMER: Zou je Vlaanderen definitief willen verlaten?

VANDERSTRAETEN: Ja. Soms vind ik het raar dat ik nog altijd hier woon. Maar tussen droom en daad staan praktische en financiële bezwaren. Hoe zou ik mijn beroep als journalist even vakkundig kunnen beoefenen in een ander land? Dat is niet vanzelfsprekend.

DE CRAEMER: Denk je niet dat je dan op den duur op dezelfde problemen zou stoten als hier? Er staan overal kerktorens. Zelfs in New York. Ook daar zou je toch met bekrompenheid en kleinheid worden geconfronteerd?

VANDERSTRAETEN: Natuurlijk, want de mens heeft overal dezelfde trekjes. Maar de ondraaglijke lichtheid van het bestaan kan elders iets draaglijker lijken of zijn. Vlaanderen belangt me aan. Ik ben hier graag en ik houd van de mensen, maar ik ben niet blij met alles wat hier nu gebeurt. Ik denk trouwens dat ik dat gevoel in heel Europa zou hebben. Het liefst zou ik een soort Paul Theroux zijn: iemand die de wereld afreist en daar als buitenstaander indringende verhalen over schrijft.

Het hoofdpersonage uit Het vlindereffect reist rond om hotels te inspecteren en wordt het slachtoffer van een terroristische aanslag. Is de toenemende terreurdreiging iets waar jullie van wakker liggen?

DE CRAEMER: Ik vind dat nogal beangstigend, ja.

VANDERSTRAETEN: Dat is het ook. Maar bang zijn helpt je niet verder. Het kan zelfs heel verlammend werken.

DE CRAEMER: Het is niet zo dat ik niet meer over straat durf of Brussel mijd, zoals die schoolklas uit Limburg. Alleen geloof ik dat de kans groot is dat er hier iets zal gebeuren. En wat zullen we doen met al die jongens die in Syrië zijn gaan vechten? Laten we hen nog terugkeren? Ik ben geen aanhanger van de N-VA, maar Bart De Wever heeft wel een punt als hij zegt dat een jongen die in Syrië heeft gevochten niets meer in Antwerpen te zoeken heeft.

VANDERSTRAETEN: Zolang ze geen alternatief hebben, kun je die jongens toch de toegang tot dit land niet weigeren?

DE CRAEMER: Ze hebben wel degelijk een alternatief: niet naar Syrië gaan. Als ze zich ervan bewust zijn dat ze nooit meer kunnen terugkeren, zullen ze misschien twee keer nadenken voor ze vertrekken.

VANDERSTRAETEN: Het probleem is dat de meesten niets te verliezen hebben, of denken dat ze niets te verliezen hebben. Het is geen toeval dat de tien Pakistaanse terroristen van Mumbai allemaal uit arme bergdorpen kwamen. Dat geldt ook voor de meeste zelfmoordterroristen: ze zijn straatarm, radeloos, boos en daardoor voer voor de kat. Dáár moeten we iets aan doen. Anders zullen psychopaten die met de Koran of een ander ideaal zwaaien, maar eigenlijk op macht uit zijn, die jongens altijd kunnen misbruiken.

DE CRAEMER: Het zijn toch niet allemaal jongeren die amper naar school zijn geweest en geen kansen hebben gekregen? Natuurlijk is er discriminatie, maar toch slagen veel moslims erin om het beste uit ons democratische systeem te halen. Ik heb echt wel mededogen – en soms zelfs medelijden – met jongeren als Jejoen Bontinck, en ik begrijp ook dat ze boos zijn om de manier waarop zij of hun vrienden worden behandeld. Maar is dat nu echt een reden om de wapens op te nemen tegen al wat westers is?

VANDERSTRAETEN: Ik wil hen ook niet goedpraten. Alleen kun je niet om de context heen. Neem Amir Kasab, de enige dader die de aanvallen op Mumbai heeft overleefd: hij werd opgehangen terwijl de bedenker van de aanslagen, die wel geld had en in de Verenigde Staten werd opgeleid, strafvermindering kreeg omdat hij de Amerikanen hielp met hun zoektocht naar Osama Bin Laden. Zolang dat klassenverschil bestaat en die corruptie of perversiteit de norm is, zal er haat en terreur heersen.
Veel passages uit Het vlindereffect zijn gebaseerd op getuigenissen van overlevenden van de aanslagen in Mumbai.

Was het voor u belangrijk dat alle historische feiten in de roman zouden kloppen?

VANDERSTRAETEN: Min of meer. De feiten vormen de basis waarop mijn fantasie groeit. Al zijn herinneringen altijd subjectief en vertekenen ze per definitie de werkelijkheid.

DE CRAEMER: (verbaasd) Dat is toch niet altijd zo? De meeste dingen waarover ik in Kwikzilver schrijf, heb ik zelf meegemaakt en dus ben ik er zeker van dat ze kloppen. Ik wéét dat ik als kind van een hek in de tuin van mijn grootmoeder ben gevallen. Het is echt niet zo dat de tijd alle herinneringen onbetrouwbaar maakt.

VANDERSTRAETEN: Als dat zo was, zouden psychologen geen werk meer hebben. Hoeveel mensen denken niet dat ze een fantastische jeugd hebben gehad tot er eens iemand in hun herinneringen pookt? Herinneringen zijn heel selectief.

DE CRAEMER: Ik denk dat sommige mensen meer herinneringen met zich meedragen omdat ze zo aan het verleden hechten. Ik doe heel erg mijn best om het allemaal te onthouden en dat heb jij volgens mij veel minder.

VANDERSTRAETEN: Ik wil ook veel onthouden, ik heb zelfs altijd een notitieblokje bij me. Alleen geloof ik niet dat mijn herinneringen, of zelfs mijn aantekeningen, betrouwbaar zijn. In je geheugen wordt een gele auto na verloop van tijd groen en een grote man klein. Het zwaartepunt van je herinneringen evolueert. Net zoals je een film op je twintigste anders ervaart dan op je veertigste, als het leven je al enkele klappen heeft gegeven.
Een onderwerp waar jullie het misschien wel over eens zijn, is de Nederlandse taal: die ligt jullie allebei na aan het hart.

DE CRAEMER: Dat klopt. Al ben ik nu met dialect bezig, want ik ben een woordenboek aan het samenstellen met haast vergeten West-Vlaamse woorden.

VANDERSTRAETEN: Spreek jij zelf ook dialect?

DE CRAEMER: Ja. Jij niet?

VANDERSTRAETEN: Nee. Thuis werd het nooit gesproken. Niet dat ik iets tegen dialecten heb: er zit veel rijkdom in. Waar ik het echt moeilijk mee heb, is de tussentaal die steeds vaker wordt gebruikt. Tenenkrullend vind ik die alomtegenwoordige verloedering. 

 

 

DE CRAEMER: Ik vrees dat die tussentaal de nieuwe standaard zal worden. Zelfs op televisie hoor je dat nu vaak. Het kookprogramma van Sofie Dumont heet bijvoorbeeld Goe gebakken, en blijkbaar vindt iedereen dat heel normaal. Mensen wijzen je bijna met de vinger als je durft te zeggen dat je die taalverloedering erg vindt. Weet je wat de VRT zou moeten doen? Weer een programma met taaltips uitzenden. Succes gegarandeerd.

VANDERSTRAETEN: Dat denk ik ook. Taal ligt ongelooflijk gevoelig. Kijk maar eens wat je allemaal losmaakt als je over de verschillen tussen Noord- en Zuid-Nederlands begint.

DE CRAEMER: Op taalkundig vlak voelen Vlamingen zich nog altijd minderwaardig ten opzichte van Nederlanders. Nochtans gaat de taalverloedering in Nederland tegenwoordig veel verder dan bij ons. ‘Hun hebben ongelijk’, zeggen ze daar. Of nog erger: ‘De meisje.’ Verschrikkelijk gewoon.

Houden jullie tijdens het schrijven rekening met die taalverschillen?

DE CRAEMER: Soms. Maar ik weiger bijvoorbeeld wel om ‘kuisen’ door ‘poetsen’ te vervangen.

VANDERSTRAETEN: Meen je dat? Echt Vlaamse woorden, zoals zetel, zal ik nooit – mondeling of schriftelijk – gebruiken. Bij mij is dat een bank of een zitbank. Ik hanteer zo veel mogelijk de standaardtaal. Die heb ik van kindsbeen af ingelepeld gekregen.

DE CRAEMER: En ik ben dan weer niet in staat om ‘fauteuil’ te schrijven. (lacht) De Nederlandse corrector van mijn uitgeverij zet altijd een alternatief naast elk Vlaams woord dat ik gebruik. Maar ik beslis nog altijd zelf of ik het ook echt vervang.

VANDERSTRAETEN: Zo gaat dat bij mij ook. In Het vlindereffect gebruik ik de uitdrukking ‘zo oud als de straat’. Weet je wat mijn corrector daarvan wilde maken? ‘Zo oud als de weg naar Kralingen.’ (lacht) Dat heb ik natuurlijk geweigerd. Ik pleit er constant voor om Zuid-Nederlandse varianten te gebruiken die tot de standaardtaal behoren.

Ondertussen staat de Vlaamse cultuursector in rep en roer omdat er zwaar zal moeten worden bespaard. Baart dat jullie zorgen?

DE CRAEMER: Toch wel. Niet zozeer voor mezelf, want ik red me wel. Zelfs als ik geen geld meer krijg van het Vlaams Fonds voor de Letteren en geen lezingen meer kan geven omdat de culturele huizen minder worden gesteund. Desnoods ga ik – naast het schrijven natuurlijk, want dat blijf ik altijd doen – in een fabriek werken. Waar ik me veel meer zorgen om maak, is de manier waarop men vandaag met cultuur omgaat.

VANDERSTRAETEN: Ik ook. Hoe ouder ik word, hoe meer ik ervan overtuigd ben dat niets zo belangrijk is als kunst. Al de rest is bijzaak.

DE CRAEMER: Dat zou ik nu ook weer niet zeggen. Ik heb nog altijd liever besparingen in de cultuursector dan in het onderwijs of de gezondheidszorg.

VANDERSTRAETEN: Maar kijk eens wat er van de geschiedenis aan schoonheid overblijft: boeken, schilderijen, muziek, architectuur, kunst. Weet je wat de operazangeres Cecilia Bartoli me zei toen ik haar onlangs interviewde? Dat dokters hun depressieve patiënten beter ook een bezoek aan de opera of het theater zouden voorschrijven dan alleen gemoedspilletjes. Ik denk dat ze gelijk heeft: van cultuur wordt iedereen beter.
Ook de literaire boekenmarkt heeft het niet gemakkelijk. De Bezige Bij Antwerpen zal fors moeten besparen en verliest haar zelfstandigheid.

Screen Shot 2014-11-05 at 14.44.11
DE CRAEMER: Je hoort wel dat het slecht gaat met de literaire boeken, maar dit doemscenario kwam niet in mijn hoofd op. De Bezige Bij Antwerpen gaf fantastische boeken uit, en ik ken niemand met zo’n groot hart voor boeken als mijn uitgever, Harold Polis. Moederbedrijf WPG noemt dit een besparingsronde – maar ten voordele van wie of wat? Meer strips? Nog meer nivellering? Waar ik ook verontwaardigd over ben, is de zeer onduidelijke communicatie. De auteurs moesten dit in de pers vernemen; we weten niet wie aan boord blijft en wie niet; er zou nog één ‘topredacteur’ in Antwerpen werken en een dag later hebben ze het over ‘een kleine ploeg’ – wat is het nu eigenlijk?

Literaire boeken krijgen steeds minder aandacht in de media. Geldt dat ook voor jullie romans?

VANDERSTRAETEN: Er wordt in elk geval over geschreven, en daar ben ik blij om. Wát ze erover schrijven, ben ik in de loop der jaren minder belangrijk gaan vinden. Voor Het vlindereffect kan het eigenlijk al niet meer stuk dankzij de droomrecensie die ik onlangs van Jos Borré heb gekregen op Cobra.be. Al weet ik natuurlijk heel goed dat ik nog wel zal worden afgemaakt. Als je een roman publiceert, ligt je hoofd op een hakblok en er komt altijd wel iemand met een bijl langs.

DE CRAEMER: Nooit vergeet ik de eerste vernietigende recensie die ik kreeg. Ik had net mijn debuutroman, Vurige tong , uit en in De Morgen werd er brandhout van gemaakt. Ik was daar zo kapot van dat ik heb zitten huilen en zelfs spullen door de kamer heb gegooid. Achteraf gezien vind ik dat nogal belachelijk van mezelf. Het went op den duur wel, maar negatieve kritieken zijn natuurlijk nooit leuk.

Sommigen van jullie collega’s gaan behoorlijk ver om hun boek onder de aandacht van media en lezers te brengen. Waar ligt voor jullie de grens?

DE CRAEMER: Toen De tenondergang en de ongelooflijke wederopstanding van Eddy Vangelis van Marnix Peeters verscheen, kon je het urinoir op de cover winnen door een selfie te maken met een urinoir op de achtergrond. Nooit of te nimmer zou ik zoiets doen.

VANDERSTRAETEN: Marnix Peeters is een heel ander soort schrijver dan wij.

DE CRAEMER: Hij is meer een rock-’n-rollauteur, ja, en zijn publiek vindt het waarschijnlijk geweldig om bij een urinoir te poseren.

VANDERSTRAETEN: Ik heb daar geen problemen mee. Uiteindelijk werken we allemaal ontzettend hard aan een boek. Je legt je hele ziel in zo’n boek, en dus wil je ook dat zo veel mogelijk mensen het lezen.

DE CRAEMER: Ja, maar dan wel zonder je ziel daarvoor te verkopen.