interview. Margot Vanderstraeten over haar jaren als werkstudente bij een orthodox-joods gezin in Antwerpen

Iemand zegt dat zwijgen het medicijn is en Margot Vanderstraeten schrijft: ‘Ik schaamde me dood.’ We weten zo weinig en daarom is Mazzel tov, haar nieuwe boek, een enige inkijk in de wereld van de orthodox-joodse gemeenschap. In de wereld van onze eigen buren dus.

‘Joden staan elk moment klaar om te vertrekken’

 De Morgen,  Za. 15 Apr. 2017, Pagina 38
 

‘Orthodoxe joden willen niet dat de problemen met hun kinderen gekend zijn. Er zit iets veiligs in een buitenstaander”Er is niet één joodse gemeenschap. Ze is even divers als het aantal individuen dat er deel van uitmaakt”Jarenlang had ik niet door dat ik dit verhaal in mij had, maar het bleek er gewoon te zitten’

‘Chaque matin elle a tout oublié’, schreef kunstenaar Lieven Segers op de gevel van het universiteitsgebouw in de straat waar de schrijfster woont. Wandelend leest ze die zin elke dag, en over ‘vergeten’ gaat haar nieuwe boek een beetje. Over niet vergeten: tijdens haar zes jaar als werkstudente bij een orthodox-joods gezin in Antwerpen zag Margot Vanderstraeten elke dag de impact van de Shoah. Zegt mijnheer Schneider in haar boek: ‘Nooit zal je in dit land een orthodoxe jood, en misschien zelfs geen liberale, met een ongeldig paspoort vinden. Wij staan elk moment klaar om te vertrekken.’

Daarom liggen die paspoorten altijd op het nachtkastje. Daarom is Mazzel tov zo’n belangrijk boek. Om te weten wat we nooit mogen vergeten.

“Ik heb hier geen twijfel over”, zegt ze al snel, het gesprek in haar appartement is amper een half blaadje in het schrift ver. “Dit een autobiografisch verhaal, dat ik natuurlijk wel schrijf met mijn literair talent en

met de vaardigheden die daar eigen aan zijn. Het is wat het is.Ik moest geen verhaal bedenken. Ook al zitten er veel lagen in, ik moest niet elke dag in mezelf gaan zoeken om het op te diepen. Het zat er al, gepolijst en al. De toon zat klaar, de samenhang was er. Dit is ook het boek dat ik, samen met Mise en place, het liefst schreef.”

Wat vreemd is, is dat Vanderstraeten dit boek nu pas schrijft. Ze was 20 in 1987 toen ze reageerde op dit bericht ad valvas: ‘Student(e) gevraagd om vier kinderen (tussen acht en zestien jaar) dagelijks naschoolse les te geven en hen te begeleiden met hun huiswerk.’ Ze kreeg de job, na een beklemmend beschreven ‘sollicitatiegesprek’ bij mevrouw Schneider, een joods gezin zo bleek, en die twee zinnetjes: ‘Wij zijn niet zoals iedereen, n’est-ce pas. Wij leggen u dat later wel uit.’ Andere werkstudentes bleven een paar dagen, Margot Vanderstraeten zes jaar.

Dit jaar wordt ze vijftig, en dertig jaar lang zat dit verhaal in een schuifje van haar hoofd. “En daar zou het misschien nog gezeten hebben als ik in 2015 niet op een vliegtuig had gezeten met Adriaan van Dis”, zegt ze. “We zitten bij dezelfde uitgever en we vlogen naar München, voor een evenement in de rand van de Frankfurter Buchmesse. KLM bood de winnaar van de Librisprijs champagne aanen Adriaan vertelde me dat hij gevraagd was om voor de VPRO een reeks over Israël te maken. Toen was hij dat nog van plan, later is hij van dat idee afgestapt. Hij vertelde me allerlei weetjes over zijn eerste minnares, een joodse vrouw uit Brussel.

Hij was pas naar haar begrafenis geweest, ze was een stuk ouder dan de schrijver, die door deze joodse vrouw geïntroduceerd werd in de liefde en in de joodse cultuur. Het ene verhaal van Adriaan leidde tot het andere. Toen vroeg hij: ‘Maar hoe komt het dat je zoveel van het joodse leven afweet?’ Ik vertelde hem over die zes jaar. ‘Daar heb je toch al over geschreven?’, vroeg hij. Dat had ik niet. Die avond in München deed ik dat voor het eerst in een notitieboekje. Tot dan was ik me er niet bewust van dat ik dit verhaal in mij had. Onbewust zat het er natuurlijk al wel.”

Dat kwam door de vanzelfsprekendheid. Door de evidentie. Door zes jaar ondergedompeld te zijn in die wereld, die zo stilaan vertrouwd werd. Margot Vanderstraeten weet al dertig jaar dat boven Antwerpen een eroev te zien is: een kabel die de stad overspant en die joden het

gevoel geeft voortdurend in een imaginary house te leven. ‘Volgens onze wetten mogen we in huis veel meer dan buitenshuis’, zegt iemand. ‘Door de eroev wordt l’espace public ook onze espace privé.’ Ze weet al dertig jaar waarom sommige joodse vrouwen een pruik dragen, maar lang niet allemaal. Ze weet al dertig jaar dat joodse kinderen vandaag nog altijd genoemd worden naar familieleden die tijdens de Tweede Wereldoorlog bij razzia’s werden opgepakt en nooit meer zijn teruggekomen. Zij weet wanneer en of je iemand een hand mag geven. En waarom dan wel of niet.

In wat je zo goed kent, zie je het verhaal zelf niet. “Maar dat blijkt nu uniek te zijn”, zegt ze. “Vermoedelijk observeerde ik toen al goed. En door mijn dagboeken van toen te herlezen, notities die zo slecht geschreven zijn dat ik me er nu voor schaam, kwam ik opnieuw in de sfeer van die periode. Nima (fictieve naam van haar toenmalige Iraanse vriend, die ook in ‘Mazzel tov’ een belangrijke rol speelt, RVP) vond ik erin terug, maar ook de houding van de huiseigenaar tegenover mijn Iraanse vriend, de ergernissen van toen. Ik heb mensen van toen gemaild en gesproken. Bij een vriendin die me een tijdje verving toen ik ziek was, heb ik gepolst naar hoe zij het lesgeven aan joodse kinderen ervoer.”

 

 

 

 

 

 

In wat je zo goed kent, zie je het verhaal zelf niet. “Maar dat blijkt nu uniek te zijn”, zegt ze. “Vermoedelijk observeerde ik toen al goed. En door mijn dagboeken van toen te herlezen, notities die zo slecht geschreven zijn dat ik me er nu voor schaam, kwam ik opnieuw in de sfeer van die periode. Nima (fictieve naam van haar toenmalige Iraanse vriend, die ook in ‘Mazzel tov’ een belangrijke rol speelt, RVP) vond ik erin terug, maar ook de houding van de huiseigenaar tegenover mijn Iraanse vriend, de ergernissen van toen. Ik heb mensen van toen gemaild en gesproken. Bij een vriendin die me een tijdje verving toen ik ziek was, heb ik gepolst naar hoe zij het lesgeven aan joodse kinderen ervoer.”

Je was ook veel vergeten?

“Ik zit in het tweede jaar Hebreeuwse les, ik volg dat één avond per week. Op die manier krijg ik opnieuw iets mee van de joodse cultuur, de betekenis van het Loofhuttenfeest was bijvoorbeeld compleet weg. Ik dompelde me bewust onder. Een jaar lang ben ik naar het postkantoor aan de Belgiëlei gegaan omdat daar veel joden komen die in Antwerpen wonen. Zo kon ik weer zien dat de vrouwelijke postbediende weet wanneer ze met een orthodox-joodse man te maken heeft en dus zijn hand niet aanraakt. Ik hoorde er de klanken van het Jiddisch, in het Stadspark zag ik de jongens op vrijdagnamiddag voetballen en zo kwamen de herinneringen weer naar boven.De moppen ook, en de humor, die vaak wrang is. De herinnering aan Jakov, de zoon, die in zijn school een handeltje in condooms begon. De gynaecoloog van de moeder die inmiddels mijn gynaecoloog is. Het gesloten onderwijssysteem en mijn moeite daarmee.”

Waar we zitten, schrijft ze. Al zijn er kleine notitieboekjes en schrijft ze onderweg en op de trein. Boekjes vol. In het station aangekomen neemt ze rustig de tijd om een idee alvast

eerst op te schrijven, tegen het vergeten. Zo’n boekje ligt op tafel: ‘Mazzel’, lees je erop. ‘Mazzel tov’ betekent overigens ‘veel geluk’. Maar in haar schrijfkamer liggen ook nog eens stapels boeken die te maken hebben met de joodse cultuur. Of van joodse schrijvers. I am Jewish, over Daniel Pearl. Shtetl van Daniel Zollmann. Een boek van Daniel Von Weinberger, naast Philip Roth, Saul Bellow en James Salter.

Wat opvalt bij het lezen, is dat je tegenover die toch eerst gesloten familie erg open was. Bijvoorbeeld over je vriend, die moslim was. En je durfde hen ook vrank en vrij van antwoord dienen.

“Vandaag zou ik dat allicht minder makkelijk doen. Met ouder worden, word je misschien angstiger. Of terughoudender. Het leven leert je remmen, of je dat nu wilt of niet. Als ik die jaren nu zou moeten overdoen, dan zou ik daar met te veel kennis binnenstappen. Jong zijn heeft vele voordelen. Maar ook nadelen: het inzicht dat ik vandaag heb, kon ik toen onmogelijk hebben.”

Helemaal aan het einde van je boek zegt de vader: ‘Wij, de joodse gemeenschap in Antwerpen, kunnen niet open zijn. Niet zoals u dat wilt. (…) U kent onze geschiedenis een klein beetje. U zou dat toch moeten begrijpen. Dat het beter is dat we in stilte ons eigen leven leven.’ Eigenlijk vroeg hij jou eeuwige discretie.

“Ik heb me dat afgevraagd: hoe vertel ik hen dat dit boek eraan komt? Natuurlijk zijn hun namen fictief en heb ik hen nog op andere manieren onherkenbaar gemaakt. Met Elzira (de dochter van de familie, RVP) ben ik bevriend op Facebook en op een dag postte ik dat Mazzel tov er zou aankomen. Tien dagen later kreeg ik een mail van Elzira, ze woont nu in New York en heeft vijf kinderen. Ze schreef dat ze veel aan me gedacht had en vroeg met een grote smiley waar ik mijn inspiratie had gehaald. Ze moet nu 42 zijn. In mooie zinnen schreef ze hoe ze onze vriendschap waardeerde, over hoe ze nu zelf een tutor zocht voor haar eigen kinderen, ‘een tutor zoals Margot’. Toen ik haar schreef dat ik wat bang was voor de reactie van haar ouders op mijn boek, antwoordde ze: ‘Don’t worry about my family, we will always support you.’Ik geef in dit boek heel veel prijs. Over hen en over mezelf.”

Kun je de vinger leggen op het waarom van jullie goede relatie?

“Mijn mondigheid heeft te maken met mijn kindertijd en jeugd in Meulenberg (een multiculturele en niet probleemloze wijk van de Limburgse gemeente Houthalen, RVP), maar ook mijn nieuwsgierigheid en eerlijkheid komen van daar. Ik zat op een zwarte school. Ik ben opgegroeid tussen vreemde culturen en vreemde talen, geuren, smaken, gewoonten. Het is niet zo makkelijk te zeggen: daarom klikte het tussen ons. Een orthodoxe man van in de zestig die ik mijn boek liet nalezen op fouten, schreef me: ‘Ik ben jaloers op de relatie die je met die kinderen had.’

De Schneiders hadden zelf de ruimdenkendheid en de intelligentie om mij te vragen, en geen joodse tutor. Het is een piepkleine en zeer gesloten wereld. Ze willen niet dat anderen weten dat er problemen met hun kinderen zijn. Er zit iets veiligs in een buitenstaander.”

En zo wordt Mazzel tov dus, via die familie, een les. Een eyeopener. Een wereld die zich opent als een oester. Iemand zegt: ‘Assimilatie is onze dood.’ Iemand anders: ‘Zwijgen is het medicijn.’ Nog iemand: ‘Jodenhaat is de meest aanvaarde vorm van mensenhaat.’

“Er is veel antisemitisme en dus is er angst, die ook gerechtvaardigd is. Je kunt niet zeggen dat de joden geen gevaar lopen. Tegelijkertijd kun je niet van één joodse gemeenschap spreken, ze is even divers als het aantal individuen dat er deel van uitmaakt.

“In Brussel zie je de joodse gemeenschap amper, terwijl ze daar groter is dan in Antwerpen. (glimlacht) Van die liberale joden zeggen de vromen in Antwerpen dan wel dat dat geen echte joden zijn, maar dat is hetzelfde als zeggen dat iemand geen echte moslim is, of geen echte Hollander.

“Natuurlijk is jood-zijn ook een way of life en zit heel veel in regels en wetten gegoten. Voedselwetten, koosjer eten, bepaalt bijvoorbeeld alles. Maar binnen die wetten vinden ze wel hun eigen flexibiliteit. Kaviaar mogen joden niet eten, maar Iraanse joden hebben daar iets op gevonden. Ze hebben een speciaal soort steur gekweekt die wel aan de voedselwetten voldoet, en waarvan je de eitjes wel mag eten.”

“Dat zwijgen is dan weer iets transgenerationeels. Ik ken een joodse zestiger van wie de vader nog leeft. De man verdient goed zijn geld. Toch koopt hij zijn kleren alleen bij C&A. Hij kan zijn afkomst niet van zich afgooien en zegt: ‘Ik ben opgegroeid in het kamp van de angst.’ Hij weet dat zijn vader bijna van de honger is gestorven, uitgemergeld uit het concentratiekamp kwam.”

 

 
 
 

 

 

 

 

 

 

 

Je Iraanse vriend is vluchteling en zijn zus ook. Maar zij redt het hier niet, en je voelt de neiging om de grootmoeder van de familie Schneider om hulp te vragen. Omdat deze vrouw de hel van het kamp heeft overleefd en zij dus misschien weet hoe ze dat meisje moet helpen.

“Dat is intussen een verhaal van elke dag. Onze huishoudhulp is een Bosnische vluchtelinge. Haar moeder, die ook hier is, heeft het verschrikkelijk zwaar. Het lukt haar niet om hier het gevoel te krijgen dat ze welkom is en aanvaard wordt. Ze gaat kapot aan heimwee. Ook daarom vond ik dat ik dit boek moest schrijven. Het persoonlijke verhaal is een universeel verhaal geworden. Het gaat niet zozeer om de joden in Antwerpen, het gaat wel om de dialoog tussen culturen. Je mag je, in een relatie met mensen, niet door verontwaardiging laten leiden. Je moet de verontwaardiging voorbij als je de beschaving op handen draagt. Vandaag meer dan ooit.”

Een paar weken geleden interviewde je voor De Morgen zelf Connie Palmen. Ze zei: ‘Eenzaamheid is mijn voorwaarde om te  schrijven.’ Herken je dat?

“Absoluut. Je moet gezelligheid uitschakelen en proberen het verhaal te laten komen. In mijn boekjes schrijf ik losse aantekeningen en trefwoorden. Bijvoorbeeld: Axe. Dat was de deodorant van Jakov. Een bepaalde geur ervan werd in Amerika, waar hij is gaan wonen, niet verkocht, dus nam ik die voor hem mee. Maar je moet wel waken over je eigen eenzaamheid. Tijdens het schrijven spreek ik met weinig mensen af en ben ik alleen daarmee bezig. Als mijn concentratie doorbroken wordt, wordt mijn tekst anders. Ik kan ook niks anders schrijven dan. Lezen lukt gelukkig wel. Tijdens het schrijven van Mazzel tov zat ik in de jury van de Libris Literatuurprijs. Dat kon. Maar ik concentreerde het schrijven wel in twee weken.”

Zo gaan we plots over boeken praten. Andere boeken: dit smaakvol ingerichte huis – met kunst en foto’s aan de muur, het portret dat Stephan Vanfleteren maakte van Rem Koolhaas staat ingekaderd te wachten op een spijkertje – staat vol wanden met boeken. De liefde ervoor kreeg Vanderstraeten toen ze vijftien was en door haar ouders naar een internaat in Peer werd gestuurd. “Ik denk dat ze bang waren dat het anders met mij de verkeerde kant zou opgaan. Op een dag werd ik bij de directrice geroepen, zuster Lea, die zei: ‘Je moet gaan lezen. Andere boeken.’ Zo kreeg ik De gebroeders Karamazov van Dostojevski, en ik vond het fantastisch,al begreep ik er misschien maar weinig van. Lezen legde een laag en een soort humus in mij. Het versterkte mijn identiteit. Die zuster zorgde, samen met een leraar Nederlands-Duits, voor die voeding. Van hen leerde ik: je dorp is niet je leven. Diezelfde zuster stimuleerde blijkbaar ook Lieve Joris om te gaan lezen.”

Weet die zuster vandaag hoe erkentelijk je haar bent?

“Ik weet het niet. Ik ben niet goed in het onderhouden van vriendschappen en contacten.”

Hoe komt dat?

“Misschien omdat ik liever schrijf. En omdat ik bang ben dat ik niet kan voldoen aan de verwachtingen van een vriendschap. Ik heb zeker een paar goede vrienden, maar ik onderhoud ze zo slecht. En soms wordt er eens eentje boos: ‘Het is veel te lang geleden en het moet altijd van mij komen.’ Dat begrijp ik. Maar ik heb dat niet. En ik verwacht het zelf niet. Ik kan niet verdragen dat iemand iets eist.”

In een interview met Knack zei je ooit: ‘Je nergens thuis voelen is een basisingrediënt.’

(glimlacht) “Wow, dat was wel mooi gezegd. Maar het is ook zo. Als ik bij de familie Schneider aan de sabbattafel word uitgenodigd, heb ik het gevoel een eeuwenoud schilderij binnen te stappen. Eentje waarin ik me niet thuis voel. Het is pas door je niet thuis te voelen op een plek, dat je jezelf en al de rest gaat onderzoeken. Sowieso staat een schrijver aan de kant van het veld. Hij observeert. En noteert.”

Kun je vandaag de Margot van 22 jaar nog in de ogen kijken?

“Absoluut. Al ben ik natuurlijk ouder geworden, stel ik andere prioriteiten, ben ik minder onbevangen en heeft het leven me ook blutsen en builen gegeven. Maar hoe ik nu tegen het leven aankijk, ligt zeker in het verlengde van hoe ik dat toen deed. En ik ben daar zeer waakzaam voor. Ik praat met iedereen, probeer met iedereen contact te krijgen. Ik probeer geen enkele dialoog uit de weg te gaan, en zoals ik schrijf: ik vind het pijnlijk om vast te stellen dat mijn eigen leven witter is geworden dan twintig jaar geleden, en dat ik ook binnen de sociale klassen minder beweeglijk ben dan vroeger. Dat is wat deze journalistieke sector willens nillens met je doet. Het zou niet mogen, maar dit is een bastion van de blanke middenklasse.”

Of daar een rode draad in zit, is de vraag. In haar interesses dan: na het lesgeven aan de joden leerde ze een Vlaamse vrouw die analfabete was lezen en schrijven, voor De Morgen schrijft ze interviews en reportages. Op Zondag Vosdag las ze een eerbetoon aan de betreurde Luc De Vos. Al die andere werelden. “Luc leerde ik ooit kennen omdat we op de Boekenbeurs aan dezelfde signeertafel zaten. Ik waardeerde hem en hij mij. Zijn vrouw Sandra was erbij, en dat wilde hij: zonder Sandra kon hij dat circus niet aan. Hij had haar aanwezigheid nodig. Zonder haar had hij het niet uitgehouden op die Boekenbeurs.Toen Luc overleed, wilde ik Sandra laten weten dat ik toen heel sterk gevoeld heb hoezeer hij haar nodig had. Maar ik onderhoud relaties niet goed, zoals je weet. Het is er uiteindelijk niet van gekomen haar te schrijven. Misschien leest ze dit nu wel.”

We stappen nog even in gedachten naar de joodse buurt. Waar mannen met grote hoeden altijd flink doorstappen. Waar vrouwen op platte schoenen de kinderwagen voortduwen. Mannen rijden op vrouwenfietsen, ook dat zie je vaak. In Mazzel tov lees je daarover, maar wat leerde het schrijven de schrijfster over zichzelf? “Ik wist dat ik een doorzetter was, maar het blijft toch opmerkelijk dat ik dat zes jaar gedaan heb. Ik was studente, maar ik ging er elke avond naartoe. Ik verkoos dat boven de gezelligheid van de studentenbijeenkomsten. Dat is dus echt niet niks en achteraf durf ik denken: ‘Knap gedaan.’ En om te schrijven heb je dus eigenlijk dezelfde hardnekkigheid nodig.”

Terug beneden valt op de deurbel, onder haar naam, nog net die van een vorige bewoner op: G/SUS. In een Spaanse uitspraak klinkt dat goddelijk en dan zou dat een fijn woordgrapje zijn. Dat doet toch nog een laatste keer denken aan de mopjes die mijnheer Schneider in Mazzel tov vertelt. Dit is alvast de clou van eentje: ‘Wat doet u met de overblijfselen van de besnijdenissen?’,

vroeg de inspecteur. ‘O’, zei de rabbijn, ‘we houden alle stukjes huid bij. Als we er een hele hoop hebben, bezorgen we die aan de Dienst Financiën. En die stuurt, bij wijze van dank, nu en dan eens een lul op ons af.’

“Soms denk ik dat grappen maken voor joden een manier is om met het verleden om te gaan”, zei ze daarnet. “Ze hebben een geweldige humor en het is hun manier om wraak te nemen op de onderdrukker. Want als je spot kunt drijven met wie je onderdrukt, maak je hem machteloos. Maar het blijft wel wraak. Er is geen humor zonder diep verdriet.”

RIK VAN PUYMBROECK