Ik tuur naar de zaak.

De luifels van het sterrenrestaurant zijn met een dikke laag sneeuw
bedekt. Parallel met de brede gevel staan – in grote, grijze potten –
egale, geblokte hagen die met sneeuw zijn bepoederd.

Door de houten latjes van de jaloezieën kan ik het warme, oranje licht van binnen zien.

In de gloed van het restaurant staat een groepje mensen te werken. Ze
dragen een zwart pak en een wit hemd. Ze hebben het druk op een rustige
manier. Ze kennen deze rituelen, ze voeren ze al jarenlang twee keer
per dag uit.

Een man houdt een opgevouwen, gesteven tafelkleed vast. Met een
enkele, fenomenale ruk spreidt hij het boven een tafel open. Van zijn
handeling, die hij boven een tiental tafels herhaalt, gaat magie uit.

Meteen nadat het kleed op de tafel ligt, buigt een vrouw zich over
het tafelblad. Haar handen glijden over het witte katoen en strijken de
plooien glad. Het overhangende gedeelte van het kleed trekt ze met
toegewijde vingers in de juiste vorm. Ze keurt haar daden. Corrigeert de
vouwen en plooien keer op keer. Prachtig.

Op de achtergrond wrijft iemand wijnglazen schoon. Ter inspectie
houdt hij ze tegen het licht van de lamp. Hij bestudeert het glas alsof
het een diamant betreft.

Een vrouw met een paardenstaart haalt, vinnig, peper- en zoutstellen
van een plateau. Ze schikt de vaatjes op de aangeklede tafels. Bij elk
onderdeel dat ze neerzet, neemt ze een stap naar achteren. Vanop afstand
verifieert ze de juistheid van haar daden.

Een kelner vouwt, snel en beheerst, servetten. Bestek en koelemmers worden opgeblonken. Het servies komt eraan.

En even na dat servies: de eerste gasten.